vrijdag 27 september 2013

Inleiding op de schrijver en het Willehalm Instituut; Inhoudsopgave; Voorwoorden en inleidingen van de vertaler en schrijver; De principes van de Algemene Antroposofische Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg; Een weg naar het geestelijke Goetheanum; Over het Vrije Hogeschoolwezen, Aanhangsel I. Crisis en alternatief - Zingevende rechtsvorming en rechtsvormende zingeving in de sociale organica van Rudolf Steiner; II. De Principes van de Algemene Antroposofische Vereniging; III. De Grondsteenmantra's; IV. De statuten en het huishoudelijk reglement van de Anthroposofische Vereniging in Nederland

I
Herbert Witzenmann en het Willehalm Instituut


Herbert Witzenmann (1905-1988) had in zijn jeugd ontmoetingen met Rudolf Steiner die doorslaggevend werden voor het vinden van zijn eigen ontwikkelingsweg. Hij nam de oorspronkelijke intenties van Rudolf Steiner op, zoals deze ze in zijn autobiografie beschrijft ("mijn poging door het natuurwetenschappelijke denken heen tot de geestelijke wereld te leiden”).
            
Na afloop van zijn academische studies (hij studeerde muziek, kunstgeschiedenis, machinebouw en filosofie o.a. in Heidelberg bij Karl Jaspers), was Witzenmann tientallen jaren lang werkzaam in de leiding van een industriële onderneming. Na het einde van de tweede wereldoorlog gaf hij voordrachten en trad hij op als docent en schrijver (hij was tevens enige jaren redacteur van het tijdsschrift "Die Drei" in Stuttgart) .
            
In 1963 werd hij door Albert Steffen, de Zwitserse dichter en plaatsvervanger van Rudolf Steiner als eerste voorzitter van de "Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft", benoemd tot bestuurslid van deze vereniging. In het kader van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap aan het Goetheanum nam hij de leiding over van de "Sectie voor sociale wetenschap".
            
Vanaf 1968 ontstonden er in verband met de zog. boekenkwestie (waarop in dit geschrift wordt ingegaan) tussen Witzenmann en de overige bestuursleden ernstige en blijkbaar onoverbrugbare verschillen van opvatting over het wezen van de Antroposofische Vereniging en de Vrije Hogeschool. Dit leidde tot een breuk en in 1972 werd het hem en zijn medewerkers (waaronder vooral de leden van de als werkgroep op inhoudelijk gebied in 1968 te Dornach opgerichte "Arbeitskreis zur geistgemäben Durchdringung der Weltlage”) onmogelijk gemaakt hun werkzaamheden verder binnen het Goetheanumgebouw te verrichten. Vervolgens zette hij in de zin van de ideële Hogeschool en met de onverminderde steun van zijn medewerkers zijn sectiewerk tot aan het einde van zijn leven voort.
            
In 1973 stichtte hij in Dornach als kern van de uit zijn werkzaamheid als leraar voortvloeiende ideeëngemeenschap het "Seminar für freie Jugendarbeit, Kunst und Sozialorganik", waarvan hij ook de leiding overnam. Na zijn dood werd het door hem opgerichte Seminar werd onder die naam door zijn vroegere secretaris, de Zwitserse schrijver en filmmaker Reto. A. Savoldelli voorgezet. Er werd een Witzenmann Centrum in Dornach in het leven geroepen en in zijn geboortestad Pforzheim, Duitslandwerd werd de "Witzenmann gemeinmützige Stiftung” opgericht om zijn omvangrijke werk uit te geven, dat door het al zo’n twintig jaar eerder in Dornach opgerichte Gideon Spicker Verlag (nu ook in Dornach) gepubliceerd wordt.   Een deel daarvan is inmiddels in verschillende landen vertaald. In vele landen blijken er bovendien culturele centra en werkgemeenschappen te bestaan die op de door Witzenmann ontwikkelde “struktuurfenomenologische” grondslag van een moderne vertegenwoordiging van de geestes- of graalwetenschap zoals Rudolf Steiner zijn antroposofie genoemd heeft, werken.

* * *


Het Willehalm Instituut is genoemd naar de titel en hoofdfiguur van Wolfram von Eschenbachs heldendicht over de Frankische stichter van het Oranjehuis in Zuid-Frankrijk, een paladijn van Karel de Grote en beschermheilige van het Keltische christendom èn de ridders, die volgens de bevindingen van de Zwitserse antroposoof Werner Greub in zijn door het Willehalm Instituut uitgegeven boek Willem van Oranje,Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus een wezenlijke rol in zowel de ontstaansgeschiedenis alsook in de handeling van het graalverhaal van Parzival heeft gespeeld. 

Het Willehalm Instituut werd in 1985 te Arlesheim, Zwitserland door een vroegere naaste medewerker van Herbert Witzenmann, Robert Jan Kelder in het leven geroepen in verband met een tentoonstelling over het 200-jarige bestaan van de Arlesheimer Hermitage als Engelse tuin. In deze tentoonstelling werd voor het eerst het graalonderzoek van Werner Greub over dit oeroude Keltische mysteriegebied, dat reeds door Rudolf Steiner als het centrale graalgebied in de 9de eeuw werd gekenmerkt,  in het openbaar bekend gemaakt. In 1986 verhuisde het toen nog Eremos (oud-Grieks voor kluizenaar) geheten instituut naar Amsterdam, waar het o.m. de vertaling, uitgave en bevordering van het werk van Herbert Witzenmann tot zijn doelstellingen toevoegde. Een overzicht van de sindsdien door het Instituut verrichte werkzaamheden bevindt zich op http://www.willehalm.nl onder Fonds en http://willehalminstituut.blogspot.com

Op de website van BoekenRoute kunnen de door het Instituut uitgegeven boeken van Herbert Witzenmann, te weten De Deugden (ook in het Engels als The Virtues), De rechtvaardige prijs en Geldordening als bewustzijnskwestie niet meer besteld worden. Op de blog Een nieuwe economische orde is de voortgang te bekijken van deze binnenkort verschijnende publicatie (Update: inmiddels verschenen; de presentatie in de Beurs van Beralge op 29 september 2014 is op YouTube te zien).  Op dit e-mailadres zijn voorgenoemde boeken en de sociaal-esthetische studies nr. 1 De Oergedachte en nr. 2 Vormgeven of beheren direct van het Instituut te bestellen. Voor samenwerking met of ondersteuning van de verdere werkzaamheden van de Willehalm Stichting op een of andere manier kan ook via dit adres contact opgenomen worden.

* * *

II

Inhoudsopgave

Antroposofia - Woord vooraf van de vertaler van deze internet-uitgave 
“Bezint eer gij begint”-  Inleiding van de vertaler van deze internet-uitgave
“De redding van de economie” - Voorwoord  van de vertaler  bij de eerste volledige Duits-Nederlandse editie in boekvorm uit 1998
"Oerbeeld van sociale vormgeving" - Voorwoord van de vertaler bij de tweede editie in 2009
“Een bovenwereld scheppen” - Inleiding van de auteur op de reeks Sociaal-esthetische Studies
Opmerking vooraf bij de 1ste  Duitstalige uitgave 
I. De principes van de Algemene Antroposofische Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg
II. Een weg naar het geestelijke Goetheanum
III. Over het Vrije Hogeschoolwezen 

Aanhangsel
I. Crisis en alternatief - Zingevende rechtsvorming en rechtsvormende zingeving in de sociale organica van Rudolf Steiner 
II. De principes van de Algemene Antroposofische Vereniging 
III. De grondsteenmantra's
IV. De statuten en het huishoudelijk reglement van de Anthroposofische Vereniging in Nederland


***

III
Antroposofia - 
Woord vooraf van de vertaler 
van deze eerste internet-uitgave 

Deze derde, herziene en gecorrigeerde editie van de Sociaal-esthetische Studie nr. 3 (nr. 1 in de originele, Duitse versie) verschijnt, vooreerst hier als blog, onder de nieuwe titel Handvest der menselijkheid - De principes van de Algemene Antroposofische  Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg. Deze titelwijziging is gekozen om duidelijk te maken dat, zoals in dit denkwerk stapsgewijs ontwikkeld wordt, de sociaal-organische grondslag van de Algemene Anthroposofische Vereniging idealiter van universele betekenis is en als inspirerend voorbeeld kan dienen voor elke menselijke samenwerkingsverband dat op het bewustzijnsniveau van deze tijd wil staan. 

Gezien de nog steeds wijd verspreidde, op misvattingen berustende vooroordelen tegen de stichter van de antroposofie Rudolf Steiner (1861-1925) en zijn werk, waaronder de door hem en de zijnen tijdens  de zogeheten Kerstbijeenkomst  van 1923 in Dornach, Zwitserland, heropgerichte Anthroposofische Vereniging, is het onontkoombaar om in de hier volgende inleiding, onder verwijzingen naar eerdere beschouwingen en verweerschriften van mijn hand en enkele geestverwanten, te trachten deze verwijten te ontkrachten, om te voorkomen dat niet bij voorbaat aan de idealistische, ja hoogdravende titel van deze studie en haar inhoud schouderophalend voorbij wordt gegaan. Het gaat daarbij niet om personen te bekritiseren, die openbare (bestuurs)functies bekleden of hebben bekleed, maar om het immanent kritisch karakteriseren van dwaalsporen of zelfs nalatigheidszondes.  

Daarbij mag  ook niet een portie zelfkritiek ontbreken in die zin dat het door mijn mogelijk gebrekkige taalgebruik en vertaalkunst, ondiplomatiek optreden of wat dan ook helaas in de laatste 20 jaar blijkbaar (nog) niet hier te lande gelukt is om één van de voornaamste doelstellingen van het Willehalm Instituut, namelijk het bevorderen van het werk van de schrijver van deze studie, een mijn leermeesters in Zwitserland, zodanig binnen en buiten de AViN tot een merkbare doorbraak te verhelpen. Wellicht speelt daarbij ook een rol dat de door de schrijver gebezigde taal met zijn lange bijzinnen de nodige denkkracht en wat hij noemt introspectie of zielenobservatie behoeft om zijn vaak superintellectueel voorkomende teksten te begrijpen, wat dus voor velen een belemmering schijnt te zijn.  Maar zoals Herbert Witzenmann dikwijls benadrukte, het gaat om de liefde voor de daad, niet om het alom bewierookte succesprincipe dat alleen het blote resultaat telt. Een om een zin uit zijn meesterlijke beschrijving over de maandmeditatie van november uit zijn boek "
De Deugden - Jaargetijden van de ziel" te citeren: "De weegschaal van het geduld bepaalt het gewicht van de persoonlijkheid".

Na de inleiding zijn hier mijn voorwoorden van de twee eerdere volledige edities uit 1998 en 2009 in boekvorm te lezen. Daarna volgen de inleidingen van de schrijver op zijn reeks sociaal-esthetische studies en op deze studie zelf, die bestaat uit drie verhandelingen. In het aanhangsel komen na het studiemateriaal “Crisis en alternatief” voor de in 1991 in Den Bosch gehouden Michaëlswerkconferentie “Antroposofie en de kunst van de sociale vernieuwing”, de principes en de grondsteenmantra's aan het bod, die de exoterische en esoterische grondslag van de in 1923 heropgerichte  Anthroposofische Vereniging vormen.. Aan het eind zijn de huidige statuten en het huishoudelijk reglement van de Antroposofische Vereniging in Nederland weergegeven. 

Met dit voorwoord nodig ik alle welwillende lezers uit om bij te dragen aan de verdere opheldering en oplossing van de hiermee aangesneden problematiek, dan wel deze poging bij te staan om de Antroposofische Vereniging in haar huidige verschijningsvorm meer met haar wezen antroposofia te verbinden, en daarbuiten meer in het algemeen de sociale organica als het nieuwe beschavingsprincipe  onder de mensheid op aarde werkzaam te laten worden als een tegengewicht tegen het heersende beschavingsprincipe van onmenselijkheid.


***

IV

“Bezint eer gij begint”-  
Inleiding van de vertaler van deze internet-uitgave

"Het centrale bestuur zal als zijn opgave slechts het realiseren van de statuten te beschouwen hebben; het zal alles moeten doen wat in de richting van de realisering van de statuten ligt."

Rudolf Steiner

"Als iemand zal proberen om de statuten te vernietigen zal ik dat niet toelaten, maar diegene alleen of met allen terugdrijven."

Eed door jonge krijgsmannen ter verdediging 
van Athene afgelegd in de tempel van Argolis 

"De verbinding van de Antroposofische Vereniging (in de buitenwereld) met de beweging (in de geestelijke wereld) moet als een onverbrekelijke begrepen worden, wanneer de Vereniging niet in een toestand wil terugvallen, die haar opdracht en daarmee het gebeuren van haar heroprichting verloochent."

Herbert Witzenmann

De concrete aanleiding voor het hier en nu beschikbaar maken van de vernieuwde versie van deze Sociaal-esthetische studie nr. 3 is ten eerste de intentie van het bestuur van de Antroposofische Vereniging in Nederland (AViN) om de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen met haar verschillende secties “meer zichtbaar te willen maken”, zoals dat nader bekend werd gemaakt door haar secretaris, de filosoof Auke van der Meij middels een korte, interne concepttekst tijdens een plenaire bijeenkomst van de Sociale Sectie voor Sociale Wetenschappen op 8 juni 2013. Voor dit voornemen kan dit nu op internet beschikbare, aan het Goetheanum verricht geesteswetenschappelijk onderzoek door een voormalige leider van deze Sociale sectie, met de nodige portie goede denkwil, richting wijzend zijn en kan het bovendien als criterium  gelden om te beoordelen in hoever deze beoogde stappen van het bestuur in overeenstemming (zullen) zijn met de intenties van de oprichter van deze school, Rudolf Steiner, die deze overeenstemming van het bestuur en de zogeheten klassenleden van deze school vereist had en waartoe deze zich ook verplicht (zouden moeten) hebben. 

Tevens kan uit deze sociaal-esthetische studie afgeleid worden of de statuten van de AViN wel of niet in overeenstemming zijn met de (later principes genoemde) statuten van de Kerstbijeenkomst ter heroprichting van de Antroposofische Vereniging in 1923 te Dornach, Zwitserland. De statuten van de AViN, als een van de vele plaatselijke (nationale) werkgroepen in de wereld van de Algemene Antroposofische Vereniging (AAV), mogen immers de principes niet weerspreken (zie paragraaf 13 van de principes in aanhangsel II van deze blog). Naast deze principes heeft de AAV echter ook statuten, die op de site Das Goetheanum door de volgende noot ingeleid worden: "Op basis van de Principes en Statuten kan de Algemene Anthroposofische Vereniging steeds opnieuw de vervulling van haar opgave nastreven, 'de denkbaar grootste openheid te verbinden met echte, ware esoterie.' (Rudolf Steiner, GA 260)"

Achter deze zin verhult zich voor "niet-ingewijden" het zogenaamde constitutievraagstuk dat al meer dan 40 jaar na talloze heftige debatten en uiteenzettingen, schotschriften, boeken, conferenties, buitengewone ledenvergaderingen, kostbare juridische processen tussen het bestuur en ledengroeperingen tot zelfs rechterlijke besluiten van de Zwitserse Hoge Raad toe nog steeds niet opgelost is. Het heeft te maken met het feit dat de huidige AAV statuten gebaseerd zijn op de oorspronkelijke statuten van de in 1913 opgerichte Goetheanum Bouwvereniging, die op 8 februari 1925 omgedoopt werd in Algemene Anthroposofische Vereniging en die sindsdien geleidelijk aangepast werden aan de principes, maar deze nog steeds op wezenlijke punten tegenspreken. Dat dit zo is toont een simpele vergelijking tussen beide documenten. Het loont zich om in dit bestek kort op dit constitutievraagstuk in te gaan ter verduidelijking van de achtergrond waartegen deze sociaal-esthetische studie gezien kan worden.   

Tijdens de eigenzinnige initiatieven van het centrale bestuur in 2002 om deze incompatibiliteit tussen de twee juridische documenten op te lossen, onder leiding van de voormalige voorzitter van de AViN Paul Mackay die hier later nog eens ter sprake zal komen, heb ik met vele andere deskundigen ter plekke, o.m. Mees Meeussen uit Den Haag, auteur van het monnikenwerk "Die verhinderte Diskussion", mij veel moeite getroost om aan te tonen tegenover een in dit opzicht slapende meerderheid van leden die het wezenlijke belang van het constitutievraagstuk maar niet konden of wilden inzien, dat de beweegredenen voor deze structurele wijzigingen geheel anders waren dan het bestuur deed voorkomen.  (Zie Schauplatz Goetheanum voor mijn voorstellen aan de buitengewone ledenvergadering in 2002.)  Het droevige resultaat enkele jaren later was dan ook dat de AAV-statuten na al die ophef en commotie in plaats van meer juist minder in overeenstemming met de principes waren gebracht, het bestuur nog meer macht ten opzichte van de leden naar zich toe heeft getrokken in tegenspraak met de letter en geest van oorspronkelijke statuten van Rudolf Steiner en de zijnen die tijdens de Kerstbijeenkomst na drie dagen beraadslaging besloten werden. 

Van wat nu de eigenlijke betekenis van het door meerderheidsbesluiten van het ledenbestand buiten werking stellen cq. de vernietiging van de later principes genoemde statuten is, kan men zich enigszins bewust maken aan de hand van de eerste zin in de bijlage van het weekblad "Das Goetheanum" op 13 januari 1924 waarmee Rudolf Steiner zijn bericht aan de leden begon over de Kerstbijeenkomst: "De Antroposofische Vereniging een vorm te geven zo als die de antroposofische beweging [in de geestelijke wereld] voor haar verzorging behoeft, dat was wat met de zojuist afgelopen Kerstbijeenkomst aan het Goetheanum bedoelt." Helemaal duidelijk zal het de welwillende lezers pas mogelijk worden na het bestuderen en zich eigen maken van deze sociaal-esthetische studie.  

Na deze korte excursie naar Zwitserland nu terug de uitdagingen waarvoor we in eigen land staan en waarvoor deze studie ook de nodige opheldering kan bieden. Mijn opvatting over de comptabiliteit in dit geval van de AViN-statuten met de principes, heb ik , sinds de eerste (onvolledige) editie van deze sociaal-esthetische studie in 1991 is verschenen, tot nu toe binnen de Vereniging schriftelijk en mondeling al vaker geuit met concrete wijzigingsvoorstellen, zoals na te lezen valt in "Het Willehalm Instituut Nieuws" 13a van 27 februari 2000). Die luidt dat de AViN-statuten wel degelijk op beslissende punten in tegenspraak zijn, d.w.z. niet in overeenstemming te brengen zijn met haar “moederstatuten”. Dit kan een ieder op basis van een vergelijking van de principes met de hier in het aanhangsel IV weergegeven statuten van de AViN vaststellen. 

Het allerbelangrijkste wat daarbij opvalt is dat datgene wat in het bovengenoemde citaat uit het begin van deze sociaal-esthetische studie over de noodzakelijke vereniging van het esoterische en exoterische als het identiteitsbepalende element van een antroposofische vereniging structureel volledig ontbreekt. Daardoor wordt haar ware wezen in principe gespleten, in tweeën gedeeld: de uitgave (veruiterlijking) van het werk van Rudolf Steiner wordt niet uitgegeven en verdedigd door de Vrije Hogeschool voor Wetenschappen (verinnerlijking), die als institutie onder die naam in de statuten alleen onder het adres in Dornach, zonder adres in Nederland voorkomt. Bovendien worden, wat de esoterische en vakkundige voordrachten van Rudolf Steiner betreft, ook niet door de Vereniging als manuscripten van de Vrije Hogeschool bevorderd. In deze voordrachten, die door de structureel zich buiten de AViN bevindende uitgeverijen worden, wordt met geen woord erop geattendeerd dat dit manuscripten van die Vrije Hogeschool zijn. (Als dit wel het geval was geweest, zou de Vrije Hogeschool als afdeling van Het Goetheanum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen in Zwitserland al veel meer zichtbaarheid hebben gehad, dan tot nu toe het geval is. Ook zou De Antroposofische Vereniging door deze zichtbaarheid meer leden hebben kunnen aantrekken, omdat immers in paragraaf 4 van de principes vastgesteld wordt dat de enige voorwaarde voor het lidmaatschap is dat men "iets gerechtvaardigd ziet in het voortbestaan van zo’n institutie als dat het Goetheanum in Dornach als Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap is". Toch ook deze bepaling ontbreekt in artikel 5,Lidmaatschap van de AViN statuten dat slechts over administratieve handelingen gaat.)   
   
Verder ontbreekt in de uitgave van de esoterische en vakkundige voordrachten van Rudolf Steiner hier te lande (maar ook elders in de wereld) in woord en daad het uitgeefbeleid voor die manuscripten van de Vrije Hogeschool, dat tot uitdrukking komt in de door Herbert Witzenmann in deze studie genoemde beschermingsparagraaf 8 van de principes:  de zogeheten Aantekening van de Hogeschool. Deze luidt dat men niet in gesprek dient te gaan, zoals dat immers op vakwetenschappelijk gebied gebruikelijk is, met lieden, zo niet beunhazen, die menen zonder de nodige voorkennis en ervaring, een juist oordeel te kunnen vellen over deze geesteswetenschappelijke materie, die in de intellectuele optiek van het huidige materialistische beschavingsprincipe noodzakelijk als een product van hersenspinsels moet worden gezien en afgedaan. Wat natuurlijk niet betekent dat men tegenover de buitenwereld niet duidelijk moet maken waarom en in hoe ver deze vooroordelen over de manuscripten ongegrond zijn en wat de voorwaarden zijn om deze wel te kunnen beoordelen. Deze morele bescherming van het werk van Rudolf Steiner werd daarentegen als het ware omgedraaid door b.v. tijdens de periode zo'n 14 jaar geleden dat Rudolf Steiner werd aangevallen als racist, juist zulke criticasters uit te nodigen om binnen de Vereniging hun vooroordelen te ventileren!

En in plaats dat de Vrije Hogeschool de uitdaging aannam om de naam en eer van Rudolf Steiner te verdedigen door de buitenwereld dus erop te attenderen dat deze aantijgingen aan het adres van Rudolf Steiner volkomen ongegrond en onterecht waren en dat er bij hem geen sprake van discriminatie en racisme was, zoals ik en anderen tevergeefs in een motie aan de algemene ledenvergadering hadden voorgesteld (
WIN, 14a 5 mei 2000), werd deze eminente hogeschooltaak door het bestuur gedelegeerd aan een commissie onder de leiding van de jurist Ted van Baarda, die uiteindelijke een aantal (16) uitspraken van Rudolf Steiner met terugwerkende kracht als discriminerend bestempelde, zo niet veroordeelde, maar Rudolf Steiner wel vrij sprak van racisme, een conclusie die de media gretig aannamen om het eerste breed uit te smeren met aan het einde een korte slotzin dat Rudolf Steiner dan toch geen racist was. Deze conclusie werd nota bene onder beroep op een anti-discriminatie wetgeving getrokken die de commissie zelf een monstrum had genoemd. Waarbij ook aangetekend moet worden dat deze verkapte veroordeling, dat als een willekeurig iemand deze 16 uitspraken als eigen mening in het openbaarheid zou maken strafbaar is cq. zou kunnen zijn, in flagrante tegenspraak is met de huidige rechtspraak in ons land die altijd eerst kijkt naar wie en onder welke omstandigheden een mogelijke discriminerende uitspraak bezigt en pas dan een concreet oordeel velt. 

Er werd hier dus een algemene, dogmatische wetmatigheid verkondigd die zelfs juridisch niet door de beugel kan. Daarbij komt nog dat een lid van die commissie, wijlen Edith De Clerq-Zubli een minderheidsstandpunt ingenomen had dat geesteswetenschappelijk uitspraken niet juridisch beoordeeld mogen worden maar op hun intrinsieke waarheidsgehalte in de zin van de Aantekening van de Hogeschool. Haar
 standpunt werd echter bij de openbare presentatie van het interim-rapport onder leiding van een speciaal aangestelde voorlichter niet bekend gemaakt, en werd in het eindrapport geheel verlaten. Dat er binnen de Vereniging veel ongenoegen en weerstand was en dat naast de jurist Stephan Geuljans ook een kleine groep antroposofen een kritiek op het werk van de commissie in eigen beheer hebben uitgebracht onder de titel "Geen sprake van...!" werd volledig verzwegen. Hetzelfde lot ondervond mijn "Anthroposofische Kroniek 1994-2001 - Mijlpaal of molensteen" dat ik naar aanleiding van mijn gooi naar het nieuwe voorzitterschap van de AViN in 2011 op een gelijknamige blog heb geplaatst, waar op de hier aangestipte gang van zaken wat uitgebreider wordt ingegaan, en waarin tevens te lezen is hoe tijdens de algemene ledenvergadering in 2011 mijn schriftelijk ingediende voorstellen voor een hervorming van de vereniging afgedaan werden door een louter technisch-administratief argument, dat ik niet voorzien had, en waarna men weer tot de orde van de dag kon overgaan.      

Het wrange daarbij is dat, afgezien van de verkeerde conclusies, de rest van het Van Baarda rapport inhoudelijk helemaal nog niet zo slecht was. De conclusie had echter moeten zijn dat de anthroposofie juist in staat is om alle weerzinwekkende discriminatie  en racisme te overwinnen door een weg te wijzen naar de bewustwording van ons algemeen menszijn. Zo had een van de euvele consequenties van het rapport nooit plaats kunnen vinden, namelijk dat tegen de zin van het bovengenoemde derde citaat in en uit zekere opportunistische gronden, de van discriminatie besmette Rudolf Steiner van zijn werk gescheiden  werd: antroposofie ja, Rudolf Steiner nee, een scheiding waarvoor Rudolf Steiner met zijn vooruitziende blik zeer gewaarschuwd heeft. (Het argument dat niet Rudolf Steiner discrimineert, maar zijn 16 uitspraken wel discriminerend zijn, is onzinnig, bovendien  spreekt artikel 1 van de Grondwet over gelijke behandeling en niet gelijke beschouwing. In die zin Rudolf Steiner te willen veroordelen als iemand die aan welke discriminerende handelingen  dan ook schuldig is geweest, is nog verder gezocht en volledig in tegenspraak met alle berichten van ooggetuigen die hem meestal als een grote mensenvriend hebben beleefd en beschreven. Hij leed er lijdt waarschijnlijk echter nog steeds aan dat hij niet 
begrepen maar, howel dat ook aan het afnemen is,  bewonderd werd en wordt.) In feite werd door de uitwerking van dit Van Baarda rapport op het algemene publiek hier te lande en daarbuiten de omineuze advertentie van het bestuur van de AViN die in februari 1966 op de redactiepagina's van alle vier kwaliteitskranten verscheen dat "voor zover er bij Rudolf Steiner sprake is van een rassenleer nemen wij daarvan uitdrukkelijk afstand van" die scheiding van Rudolf Steiner van zijn werk niet ontzenuwd, maar bevestigd. (Deze advertentie kwam tot stand onder leiding van de toenmalige voorzitter van de Vereniging Paul Mackay, die destijds tevens president van de Triodos Bank was en dus eigenlijk twee petten op had, wat de vraag doet oprijzen of hier geen belangenverstrengeling cq. economische belangen in het spel waren, daar naar verluidt vanwege deze affaire klanten van de Triodos Bank wegliepen.)  Want uit mijn ervaring en contact met (jonge) mensen in de buitenwereld blijkt dat er sindsdien nog veel meer dan voorheen een zekere smet op Rudolf Steiner rust, ja dat zelfs menige antroposoof  er wel twee keer over nadenkt eer hij de naam Rudolf Steiner uitspreekt uit angst door deze smet beroerd te worden.

Dit is slechts een voorbeeld van de vele structurele ongerijmdheden, zoals ook het ontbreken van het vrije initiatiefrecht van de leden om moties in te dienen dat in paragraaf 10 van de principes is verankerd en dat het beoogde evenwicht tussen het bestuur en de leden ontwricht, doordat het volledig aan het bestuur  ligt of een voorstel van een lid wel of niet geagendeerd wordt, ook hier spreek ik uit eigen ervaring. Als laatste zij hier genoemd het, in het licht van paragraaf 14 van de principes, ontbreken van een orgaan van de Vereniging dat zowel uit een buitenblad als een bijlage alleen voor leden bestaat. Vroeger bestond alleen dat laatste onder de titel Mededelingen dat toen onder de mom van vermaatschappelijking plaats heeft gemaakt voor het huidige openbare maandblad Motief dat zich niet meer als orgaan van de Vereniging beschouwt en waarin  externe en eigenlijk de openbaarheid niets aangaande 
interne zaken naast elkaar worden gezet, wat niet de indruk van een clubblad weg kan nemen.

Nogmaals: deze voorbeelden worden hier niet naar voren werd gebracht om oude koeien uit de sloot te halen (hoewel de discussie vooral in Duitsland aantoont dat het vraagstuk antroposofie en racisme helemaal niet van tafel is, zoals het bestuur ooit beweerde), maar om niet verder de kop in het zand te steken en aan te tonen dat deze, en andere onverkwikkelijke, de antroposofie en Rudolf Steiner beschadigende ontwikkelingen, zoals de sluipende teruggang van de antroposofische instellingen, structureel terug te voeren zijn op het veronachtzamen, het niet (willen en weten) nakomen  in binnen- en buitenland van de principes. Want de enige taakomschrijving die Rudolf Steiner noemde tijdens de bespreking op de Kerstbijeenkomst in 1923 van de later principes genoemde statuten, die eigenlijk geen van beide waren maar een gezamenlijke wilsverklaring, dat de enige opgave van het bestuur in het realiseren van deze alomvattende vrijheidsstatuten lag: "Een daarmee is een grote vrijheid gegeven. Maar tegelijk weet men ook wat men aan dit centrale bestuur heeft, want men heeft de statuten en kan daaruit een volledig beeld verkrijgen wat het ooit zal doen."  (Na te lezen in de Rudolf Steiner Gesamtausgabe GA 260 blz. 101). 

Het is de verdienste van Herbert Witzenmann, een persoonlijke leerling van Rudolf Steiner, die van deze de aanbeveling kreeg om de antroposofie op een filosofische wijze  te verdedigen, dat hij als geen ander in o.m. deze studie de reikwijdte van deze op het eerst gezicht raadselachtige uitspraak van Rudolf Steiner over de statuten van de Kerstbijeenkomst heeft aangetoond. Deze verdienste werd hem echter door zijn collega's in het bestuur van de Anthroposofische Vereniging niet in dank afgenomen: hij zag zich genoodzaakt rond 1972 uit het dagelijkse bestuur te treden i.v.m. de zogenaamde boekenkwestie over het verkoop in het Goetheanum van de edities van het beheer van de Rudolf Steiner nalatenschap (Nachlassverwaltung). Deze door de weduwe van Rudolf Steiner Marie Steiner opgerichte beheersinstantie was van opvatting dat sinds de dood van Rudolf Steiner het spirituele voortbestaan van het Goetheanum als Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen in principe niet meer mogelijk was en het er alleen nog maar om ging het werk van Rudolf Steiner uit te geven. Tegen deze opvatting, die ook hier te land grotendeels blijkt te zijn ingeburgerd, verzette zich Herbert Witzenmann hevig: immers hoe kon het Goetheanum het zich als als Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap positionerende instelling permitteren zonder met zichzelf in tegenspraak te raken,  om de edities binnen te halen van de Nachlassverwaltung die het bestaansrecht van de Vrije Hogeschool pertinent afwees? De diepere gronden voor deze stelling worden in deze studie duidelijk gemaakt, en vooral in de eerste in 1993 door het Willehalm Instituut uitgegeven sociaal-esthetische studie "De oergedachte - Rudolf Steiners beschavingsprincipe en de opgave van de Antroposofische Vereniging": een veruiterlijking zonder de nodige verinnerlijking, een Vereniging zonder een werkelijke Vrije Hogeschool is als een lichaam zonder ziel en uiteindelijk ter dood veroordeeld. Voor deze noodlottige situatie staat m.i. nu ook de Vereniging in Nederland, ja voor vele ontgoochelde oud-leden is deze toestand al lang ingetreden en moet het zelfs nog erger worden eer van enige verbetering sprake kan zijn. 

Zo ver echter is het geloof ik gelukkig nog niet, en het valt dus te hopen dat met behulp van het inzicht dat door dit onderhavige werk te verkrijgen is dat, na een mogelijke algemene vaststelling en bewustwording van de fundamenteel weefselfouten in de structuur van de Vereniging, er eindelijke ingezien wordt dat een algemene revisie van de statuten of zelfs een heroprichting hoogst noodzakelijk is om haar verder in goede banen te kunnen leiden. Daarbij kan een mogelijke genezing van de kinderziektes van deze zich als open prijzende Vereniging als een inspirerend voorbeeld dienen voor voor de overige landelijke antroposofische verenigingen, die in de bovengenoemde zin ook hun structurele grondlagen niet op orde hebben. Maar daarenboven ook voor een algemeen maatschappelijke vernieuwing doordat allerlei samenwerkingsverbanden, zoals verenigingen, stichtingen, bedrijven, scholen etc. zich kunnen oriënteren aan dit handvest der menselijkheid.   .

Dit is dan ook een verdere reden om deze materie hier uit te geven. Want dit handvest is tevens bedoeld als studiemateriaal voor het nieuwste, tot nu toe meest prestigieuze Willehalm project: het doen instellen van een civiele Willehalm-Orde van het Woord als historisch en maatschappelijk onderbouwde aanvulling op de reeds bestaande, door koning Willem I in 1815 ingestelde Militaire Willems-Orde in ons land, een ridderorde die naar niemand anders dan Willehalm of te wel de oorspronkelijke Willem van Oranje is benoemd, de 9de eeuwse stichter van het Oranjehuis, beschermheilige van de ridders en het Keltische christendom, en die bovendien volgens het door het Willehalm Instituut in 2009 uitgebrachte onderzoekswerk Willem van Oranje, Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus van Werner Greub de zegsman voor zowel de Parzival als het heldendicht Willehalm van Wolfram von Eschenbach is geweest. 

Hiertoe zal, zoals reeds aangekondigd, een petitie op 28 mei 2014 worden ingediend aan Koning Willem-Alexander, die als enige grondwettelijk bij machte is om op advies van de Raad van Adel een dergelijk aanvullende ridderorde als 
Droom voor ons land en de wereld  in het leven te roepen. Samen met ander studiemateriaal en publicaties van de Willehalm Stichting, te weten  het binnenkort verschijnende De Jezusmysteriën – Rudolf Steiners evangeliënchronologie en de Christusprofetie van Zarathoestra van Werner Greub plus De rechtvaardige prijs – Wereldeconomie als sociale organicaGeldordening als bewustzijnskwestie – Een nieuw financieel stelsel vereist een nieuw beschavingsprincipe, het eveneens binnenkort verschijnende Een nieuwe economische orde – Rudolf Steiners sociale organica en Vormgeven of beheren – Rudolf Steiners sociale organica – Een nieuw beschavingsprincipe van Herbert Witzenmann, vormen zij een wezenlijk deel van de nodige spirituele uitrusting en het oefenmateriaal waarmee een civiele Willehalm-Orde van het Woord te velde kan trekken in het kader van een broodnodig beschavingsoffensief om de huidige crisis waarin de mensheid en aarde verkeert te overwinnen. Een eerste stap daartoe zou kunnen bestaan in het bedenken en oprichten van wat Herbert Witzenmann in zijn bovengenoemde geschriften, maar ook mondeling sinds 1979 (in aanwezigheid van de schrijver dezes), in navolging van Rudolf Steiner in vele variaties heeft onderbouwd en aanbevolen: het in het leven roepen van oases der menselijkheid op biologisch-dynamisch bebouwde grond te midden spirituele centra ter hereniging van kunst, wetenschap en religie, die dan onderling verbonden in het opnemen en uitdragen van het nieuwe beschavingsprincipe, de sociale organica, waarlijk perspectief kunnen bieden op een wereldvredebond en een rechtvaardige wereldeconomie.
Robert Jan Kelder,
Willehalm Stichting,
Amsterdam, 23/24 september 2013


* * *

V

Oerbeeld van sociale vormgeving - 
Voorwoord van de vertaler bij de tweede editie in 2009


"Alle processen van echte sociale vernieuwing 
(zonder welke wij de toekomst niet zullen doorstaan)
 zullen zich aan het oerbeeld van sociale vormgeving moeten oriënteren
dat Rudolf Steiner heeft gegeven door zijn heroprichting van de Antroposofische Vereniging "                                                                                              
Herbert Witzenmann

Met het vertalen, uitgeven en presenteren van het werk van Herbert Witzenmann in Nederland werd reeds in 1990 begonnen. Toen werd het eerste deel over de principes van dit nu voor het eerst volledig vertaald geschrift, samen met het manifest “Crisis en alternatief – Zingevend recht en rechtsvormende zingeving in de sociale organica van Rudolf Steiner” als becommentarieerd studiemateriaal uitgegeven voor de landelijke Michaëlswerkconferentie 1990 “Antroposofie en de kunst van de sociale vernieuwing” in Den Bosch.[1]  Het als motto voor deze conferentie gekozen, bovenstaand citaat stamt uit het geschrift “Vormgeven of beheren/ Rudolf Steiners sociale organica – Een nieuw beschavingsprincipe”, dat als werkvertaling op 30 maart 1995 in het Ita Wegmanhuis te Amsterdam werd gepresenteerd en waarvan inmiddels een tweede volledig herziene werkuitgave voorligt.

Over de motivatie en het verloop van de Michaëlswerkconferentie in Den Bosch schreef ik in het voorwoord van de tweede verbeterde uitgave van het studiemateriaal daarvan[2] in 1993 de volgende zinnen: “Deze conferentie was een poging om in de zin van het bovenstaande citaat…de toentertijd nog alom te horen en nu min of meer verstilde politieke kreet van de sociale vernieuwing met spirituele en sociaalorganische substantie in te vullen. Deze poging moet als grotendeels mislukt beschouwd worden. Immers, de door de organisatoren gekoesterde hoop, dat deze als landelijke werkconferentie voor leden van de Antroposofische Vereniging en van de Werkgemeenschap voor sociale driegeleding aangekondigde bijeenkomst een groot genoeg aantal belangstellenden op de been zou brengen en dat daardoor de Antroposofische beweging zelf een nieuwe impuls zou kunnen worden gegeven, deze hoop realiseerde zich niet. Slechts een handje vol leden van de Antroposofische Vereniging kwamen opdagen. Aan dit geringe aantal belangstellenden werd dan door het bestuur van de Antroposofische Vereniging afgeleid dat het hier ter lande nog vrijwel onbekende werk van Herbert Witzenmann niet leeft en het daarom ook niet gesteund dient te worden. Pogingen na afloop van de conferentie om de impuls van de Den Bosch werkgroep Antroposofie en Sociale Driegeleding voort te zetten en daarbij actieve leden en bestuursleden van de Vereniging alsook van de sociale sectie van de zoghehten “Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen” te interesseren voor de in dit studiemateriaal aangeboden inhouden, leidden tot niets.

In de bijlage van een op 28 mei 1992 uitgegeven eerste Nieuwsbrief van het Willehalm Instituut alsook in een open brief van 13 mei 1993 aan leden van de Antroposofische Vereniging werd aan het bestuur van de Vereniging de vraag gesteld of datgene wat Rudolf Steiner tijdens de Kerstbijeenkomst op 27 december 1923 in Dornach als de enige taakomschrijving voor het centrale bestuur aangaf, namelijk de verwerkelijking van de toen nog statuten geheten principes, waaruit “een volledig beeld te verkrijgen is van wat het bestuur ooit zal doen”, of deze taakomschrijving dus ook voor het bestuur hier te lande geldt, werd jammer genoeg niet beantwoord of gebagatelliseerd.” [3]
          
Een mogelijke verklaring voor dit onbegrip zou kunnen liggen in de extreme hang naar veruiterlijking in deze lage landen, ook wel vermaatschappelijking genoemd, die onder het voorzitterschap van Bernard Lievegoed in de Antroposofische Vereniging ingezet lijkt te zijn en die vooral onder het bewind van Paul Mackay voortgezet werd. Immers, de antroposofie moest eindelijk eens een cultuurfactor van betekenis worden en op de moeilijk, zelfs onmogelijk verteerbare werken van een Duitse filosoof/antroposoof  Herbert Witzenmann zit toch niemand te wachten? Toch ligt aan dit op zichzelf broodnodig voornemen om de antroposofie als nieuw beschavingsprincipe in de buitenwereld te verwezenlijken een foute motivatie ten grondslag, die dramatische gevolgen voor mensheid en aarde heeft. Zoals de oude Rozenkruisers al wisten: voor elke stap naar buiten, dienen er drie stappen naar binnen worden gezet. 

In het nawoord van het als werkvertaling in 1993 uitgegeven geschrift De oergedachte – Rudolf Steiners beschavingsprincipe en de opgave van de Antroposofische Vereniging van Herbert Witzenmann [4] ben ik daar op ingegaan door eerst te verwijzen naar een uitspraak van Rudolf Steiner: “Want deze (Antroposofische) beweging”, zo schrijft deze in verband met het werk van de filosoof en kentheoreticus Carl Unger (1878-1929), ”zal wat haar diepste intenties betreft haar aanzien in de wereld niet verkrijgen door degene die louter mededelingen over de hogere wereld willen horen, maar door zulke mensen die het geduld hebben om zich een gedachtetechniek toe te eigen die een reële bodem legt voor werkelijk gedegen arbeid, die een skelet verschaft voor het werken in de hogere wereld.”[5]  Vervolgens poneerde ik de stelling dat wat Rudolf Steiner over het werk van Carl Unger zei, namelijk “een weldadige stroming binnen de Antroposofische beweging”, ook van het werk van Herbert Witzenmann gezegd kan worden, en dat “zolang pogingen dit werk te bevorderen door de huidige vertegenwoordiging ook hier te lande afgewezen, gebagatelliseerd, respectievelijk genegeerd worden, de antroposofie zich niet tot een algemene cultuurfactor van enig belang zal ontwikkelen. Zolang gezegd wordt ‘het werk van Herbert Witzenmann leeft hier niet echt, aldus krijgt het niet onze steun’, zal de antroposofie nooit echt tot bloei komen. Integendeel, zolang deze ‘weldadige stroming’ geen institutionele bedding wordt gegeven, zal de antroposofie steeds meer verwateren en zal de Antroposofische Vereniging toenemend machteloos komen te staan tegen bijvoorbeeld zulke beweringen i.v.m. de ‘statutenkwestie van 8 februari 1925’ als zou, naast de Vrije Hogeschool, ook de Antroposofische Vereniging als zodanig überhaupt niet meer bestaan.” [6]
            
Of met het houden van een week lang durende Herbert Witzenmann Conferentie verleden september aan het Goetheanum in Dornach een werkelijke kentering omtrent de bevordering van zijn werk heeft plaatsgevonden? Only time will tell.
            
Diezelfde tijd verbiedt het mij om hier verder uitgebreid in te gaan op mijn motivatie om dit geschrift te vertalen en op de gedachten die mij tijdens het bezig zijn daarmee inspireerden. Maar ook werd ik soms op de rand van de afgrond gebracht vanwege de extreme moeilijkheidsgraad van de materie en de opgave deze hoge, brede en diepe denkinhouden om te zetten in enigszins verstaanbaar Nederlands. Gelukkig kreeg ik ondersteuning van een Neerlandica die voorlopig anoniem wil blijven.

Een gedachte die het me de moeite waard lijkt toch nog weer te geven is dat de nu ongeveer tien jaar durende statutenkwestie werkelijk, zoals Herbert Witzenmann in de “Oergedachte” ook schrijft (op blz. 55), afleidt van het wezenlijke doordat de relatie van de Antroposofische Vereniging tot de (aardse) instellingen te veel aandacht heeft gekregen ten koste van de relatie van de Vereniging tot de Vrije Hogeschool. Moge dit geschrift deze balans enigszins herstellen en tot het besef leiden dat het aanvullen en aanpassen van de ‘principes’ een Hogeschoolopgave is en dat zonder een Vrije Hogeschool de Vereniging niet kan bestaan In een speciale uitgave van het Willehalm Instituut Nieuws hoop ik hierop verder in te gaan. Daarbij hoop ik ook een vervolg te geven op mijn bijdrage “Geestelijke capitulatie?” uit het geschrift van de auteurs W.F. Veltman, M. Meeussen, W. Heyder, en schrijver dezes Geen sprake van…- Kritiek en commentaar op het interimrapport van de commissie Antroposofie en het vraagstuk van de rassen.

Tenslotte nog enkele opmerkingen over deze werkvertaling als zodanig. Hoewel de ‘principes’ toenemend statuten worden genoemd, hun oorspronkelijk benoeming, heb ik er voor gekozen dit woordgebruik niet te volgen, niet alleen vanwege de Duitse titel van dit geschrift, maar ook vanwege het feit dat de ‘principes’ (nog) niet als feitelijke statuten worden gehandhaafd. Wel heb ik het woord Algemene voor de woorden Antroposofische Vereniging uit de titel weggelaten en elders klein geschreven, omdat de ‘principes’ immers statuten van de Antroposofische Vereniging waren. Ook op de door Rudolf Steiner ondertekende lidmaatschapskaarten stond Antroposofische Vereniging. Ook heb ik het woord antroposofie met de ‘h‘ geschreven (hoewel dat nauwelijks nog gebruikelijk is, staat de Vereniging met die schrijfwijze nog formeel geregistreerd). De achternaam Steiner staat zoals in het origineel overal cursief gedrukt. Men moge zich daaraan niet storen. Evenmin aan niet geheel of geheel niet geslaagde pogingen, resp. worstelingen om de vertalingskunst aan de hand van dit werk uit te oefenen. Hier en daar was het nodig de Nederlandse taal, net zoals vermeld was bij de recente vertaling van Heidegger’s “Sein und Zeit”, tot het uiterste te rekken, zo niet geweld aan te doen.

Ik geef dit werk uit handen in het besef dat er nog een lange weg bewandeld dient te worden, eer het een vertaling die af is kan worden genoemd, voor zoverre het überhaupt mogelijk is dit werk te vertalen. Voor opbouwende kritiek houd ik me warm aanbevolen.
                                                                                                                                                                                                          Robert Jan Kelder,
Willehalm Instituut, 11 november 1998



[1] In de in het Motief - Maandblad voor antroposofie, nr. 13 van november gepubliceerde aankondiging van presentaties van deze werkvertaling in Amsterdam op 12 november en Den Haag op 13 november staat als datum van deze conferentie foutief vermeld  1989.  Overigens zal deze werkvertaling ook tijdens een bijeenkomst van de “Kring voor Anthroposofie” op 14 november te Zeist gepresenteerd worden.
[2] Deze uitgave kwam tot stand nadat de eerste oplage van 100 exemplaren uitverkocht was en er via de Utrechtse Pharos Bibliotheek een bestelling binnenkwam van een groep jonge antroposofen in Utrecht rond Maurits in ’t Veld en Jonas van der Sloot voor een exemplaar van alle publicaties en werkvertalingen van het Willehalm Instituut.

* * *

VI

Het scheppen van een bovenwereld - 
Inleiding op de reeks Sociaal-esthetische Studies

De reeks Sociaal-esthetische Studies, die met dit eerste nummer wordt ingeleid, zou in oude tijden nauwelijks een rechtvaardiging van haar tekstaanbod nodig hebben gehad, zoals men die vandaag de dag vermoedelijk wel verwacht. De verbinding van het sociale met het esthetische lijkt, gezien de toestand van ons openbare leven slechts bevreemding te kunnen wekken. Immers, de omstandigheden waarin wij actief en passief verwikkeld zijn, ontberen enerzijds iedere aantrekkingskracht voor de goede smaak, anderzijds lijkt het nuttige dat wij noodzakelijk achten hoogstens de schone schijn, amper de schoonheid zelf te behoeven. Met elke blik die we meer dan 150 jaar terugwerpen, worden we derhalve gewaar - wellicht met verwondering, wellicht met schrik gelet op de saaiheid van onze gewoonten of onze behaaglijke zelfwaan - welke waarde de ons voorafgaande beschavingen hechtten aan de harmonische vorming van hun representatief uiterlijk en met welke trots de groten van die wereld vervuld waren bij het impulseren en scheppen van een bovenwereld. En hoe verder wij de tijdperken terug volgen in de richting van de oertijd, hoe ondubbelzinniger ons de gebundelde kracht van nationale culturen in werken van schoonheid voor ogen treedt. Het oprichten van het edele werd niet in loondienst gedaan, maar bestond in een vreugdevol-blij bekentenis, het bestaan was geen vertering van indrukken, maar de tuinierende cultivering van de zich in het Rijk vertakkende uitdrukkingskracht. Die volkeren vormden zichzelf doordat ze de wereld vorm gaven, niet om door een borstwering van het nuttige hun overleven veilig te stellen, maar om het beeld van hun (hoe dan ook onwillekeurige) zelfkennis als het in zichzelf gelukzalige en daarom heilige af te schilderen.
            
De sociale esthetica is de wetenschap van de toekomst, zoals de esthetisering überhaupt de toekomst van de wetenschap is. Een esthetische wetenschap moet de grondslag leggen voor de toekomst van onze beschaving, voor zoverre deze nog een toekomst beschoren is. Met esthetisering zoals die hier naar voren wordt gebracht, is echter niet esthetiserende sentimentaliteit bedoeld. Veeleer legt ze getuigenis af van het kennen dat de fundamentele eis van onze tijd gewaar wordt, omdat het voldoet aan de eis die het aan zichzelf moet stellen. Dit is het onbevooroordeeld observeren van zijn eigen activiteit. Immers, het kennen doet uit ongevormde waarnemingsstof door de evidentie van de idee de bewustzijnsgestalte van onze wereld ontstaan. Dit ligt niet in een soort afbeeldend begrijpen, maar in een mee vormend mee-voltrekken van de door onze zintuigen in zijn oertoestand terug gevormde werkelijkheid. Hier wordt ook in deze reeks geschriften (zoals eveneens elders in het werk van de schrijver) nader op ingegaan. Op het hoogtepunt van zijn kennend bestaan is de mens daarom niet een door informatie-huiveringen en overlevingsdwingelandijen in zijn onder noodweer opgetrokken toevalsnis teruggedrongen wezen, maar een scheppende vormgever die zijn oprichten van een wereld van bewustzijnsvormen nog door zijn eigen vrijheidsgestalte verheft, een vrijheidsgestalte die hij uit zijn oprichten zelf omhoog stuwt. De zin van zijn bestaan is de wereld een nieuwe betekenis te geven in het vervullen van zijn eigen zingeving en in de spiegel van de wereld van uitdrukkingen, die hij om zich heen ontwerpt, zijn creatieve opdracht te kennen en telkens weer opnieuw te toetsen. Doordat het materialisme met de gesel van ontzetting en het opium van geluk de mens van de huidige tijd verdreef uit de waardigheid van zijn opdracht, heeft het hem overgeleverd aan de saaiheid en ellende der zinloosheid. De sociale esthetica heeft hem opnieuw voor de opdracht en verantwoordelijkheid in te zetten, niet om het overleven veilig te stellen, maar het overworden te wagen.
            
Indien onze wereld niet het nuttigheidsbijgeloof inwisselt voor het enthousiasme voor schoonheid, zal ze zich met steeds hoger en daarmee steeds meer met het door instorting bedreigde robotgigantisme opzadelen en tegelijkertijd zich met het vergrauwen van de vermorzelende ledigheid ondermijnen. Het enig praktische is het esthetische. Wie tegenwerpt dat het leven geleefd moet zijn eer het met de bloesems der schoonheid zou kunnen worden omwonden, moge zich het antwoord laten welgevallen dat het consequenter zou zijn om met zo’n averecht leven, dat zich vernedert in plaats van de aansporing die er van uit gaat op zijn waarde te schatten, te stoppen en zich aan de fascinatie van angst en hebzucht over te geven.
           
Het eerste nummer van de reeks Sociaal-esthetische Studies bevat de bewerkte en uitgebreide tekst van het reeds lang uitverkochte geschrift van de schrijver De principes van de Algemene Antroposofische Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg. Daaraan toegevoegd werd de eveneens bewerkte en uitgebreide nieuwe versie van Een weg naar het geestelijke Goetheanum en Over het Vrije Hogeschoolwezen, die de uiteenzettingen van de eerste verhandeling met wezenlijke gezichtspunten aanvult. In het aanhangsel vindt men de tekst van de principes (oorspronkelijke statuten) van de Antroposofische Vereniging, afgedrukt, die Rudolf Steiner aan haar oprichting tijdens de jaarwisseling 1923/24 ten grondslag legde.[1] Daarmee is een geschrift ontstaan dat voor iedere nieuwkomer in de Antroposofische Vereniging ter oriëntatie nuttig kan zijn, maar dat misschien ook voor degenen die reeds toegetreden zijn bij het heroverwegen van hun besluit welkom is. Dit geschrift is echter ook als studiemateriaal voor degenen bestemd die zich met een belangrijk gebied van de geesteswetenschap van Rudolf Steiner niet alleen receptief maar ook cognitief bezig willen houden. Moge het als Sociaal-esthetische Studie verder een bijdrage zijn tot inzicht in de crisissituatie van onze tijd en de overwinning van de actuele noden.              
                                                                                                                                                                                                                           Herbert Witzenmann 
                                                            Garmisch - Partenkirchen, januari 1984

* * *

VII

Opmerking vooraf bij de 1ste Duitstalige uitgave  

De verhandeling De principes van de Algemene Antroposofische Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg [1] en de hier eveneens nieuw gedrukte Opmerking achteraf [2], die aanvullend en verklarend materiaal bevat, verschenen onder tijdsomstandigheden die voor de schrijver en met hem vele andere leden van de Algemene Antroposofische Vereniging aanleiding gaven tot grootse zorgen. Een zeer uiterlijk misverstaan daarvan heeft deze gelijkgesteld met pogingen de zog. boekenkwestie op te helderen in overeenstemming met de ondubbelzinnige wil van Rudolf Steiner en de innerlijke samenhang van zijn werk. (Bij de “boekenkwestie“ gaat het om het tragische gegeven, dat het werk van Rudolf Steiner, in tegenstelling tot zijn niet mis te verstane wil en tot de zin en het wezen van de door hem heropgerichte Antroposofische Vereniging, uitgegeven wordt door een vereniging voor het beheer van zijn nalatenschap, die buiten de Algemene Antroposofische Vereniging staat en haar in oorsprong en doelstelling esoterische betekenis en roeping bestrijdt.)[3]

De gang van zaken binnen het lidmaatschap van de Antroposofische Vereniging evenals de beschikkingen van de met meerderheid van stemmen besluitende bestuursleden - evenwel zelfs niet door een meerderheidsbesluit van de Vereniging in hun eenzijdige administratieve bevoegdheid gelegitimeerd - waren echter symptomen voor iets wat veel dieper ligt. Hierin kwam het onbegrip voor het wezen van Rudolf Steiners geesteswetenschap en zijn op de grondslagen daarvan opgerichte grootste schepping tot uitdrukking. Dit grootste werk is de grondlegging (zij het ook geenszins voltooiing) van een kennisgemeenschap waarin, overeenkomstig het door Rudolf Steiner in haar geestelijk aangelegde oerbeeld, het initiatieprincipe weer beschavingsprincipe, het inwijdingsprincipe (de kennisweg van de psychische observatiemethode) de vormgevende kracht van het sociale dient te zijn. Wie de betekenis van deze offerdaad van Rudolf Steiner, die hij met de inzet van zijn spirituele existentie alsmede van zijn leven volbracht, ook maar enigszins begrepen heeft, weet dat de ware verbinding met zijn werk niet door kennisoverdracht of kennisverwerving verkregen kan worden. Alleen de ontdekking van de wezenswerkelijkheid van de geestelijke wereld door psychische observatie vermag de weg naar Rudolf Steiner, naar de oercel van zijn werk en naar de daarover beschermend heersende geestelijke machten vinden. Wie deze weg inslaat, verzet zich niet alleen uit inzicht, maar veel meer nog vanuit het zijn wezen vervullend reële eigendom tegen de collaboratie met de tegenkrachten die de spirituele existentie van het werk van Rudolf Steiner vernietigend tegemoet treden. Hierover wordt niet door woorden, maar door daden besloten; ‘t is niet een kwestie van weten, maar van kennisstijl; de hier geldige overtuiging berust niet op overlevering, maar op levende geestesverbinding. Doch niet door het karakteriseren van dwaalsporen alleen (hoezeer ook het scherpen van het onderscheidingsvermogen een onontbeerlijk bestanddeel van elke bewustzijnsvorming is) kan aan de eerlijke zoekende hulp worden geboden. Dit bestaat vooral in het stimuleren van het eigen vermogen tot psychische observatie door middel van een richtingwijzend voorbeeld. 

Een van de meest lichtende voorbeelden, welks ontsluiting in deze samenhang behulpzaam is, zijn de principes die Rudolf Steiner voor de door hem heropgerichte Antroposofische Vereniging gesticht heeft op een ogenblik dat ze in haar voortbestaan in groot gevaar was. Want Rudolf Steiner heeft destijds in volledig openbare vorm op geheime wijze het oerbeeld van het levende wezen van de antroposofie in deze vereniging verweven. Daarom heeft de schrijver in een wederom zorgwekkend en noodlottig ogenblik op dit openbare geheim gewezen. Hij wilde immers veel minder het dwaalspoor kenschetsen, dan aan mensen die naar helderheid streven en vastberaden zijn een richtsnoer op de weg geven die tot het door Rudolf Steiner reeds aangeduide doel leidt.

Daar het vandaag de dag belangrijker is dan ooit zich de moeite te getroosten om deze weg te vinden, wordt onderhavige studie opnieuw gepubliceerd. De schrijver heeft zich over hetzelfde probleem geuit in zijn toespraak tijdens de Algemene Ledenvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging op Palmzondag van dit jaar en in zijn tegelijkertijd in het tijdschrift “Mitteilungen des Arbeitskreis zur geistgemässen Durchdringung der Weltlage“ verschenen schets Symptomen . Hij zal daarover verder stelling nemen in een bredere uitwerking van zijn toespraak tijdens de Algemene Ledenvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging (die hij overeenkomstig zijn plicht als bestuurslid van het Goetheanum aan de leden in de vorm van een schriftelijke verantwoording[4] zal voorleggen) en in een verdere publicatie over de principes.[5] In de afgelopen jaren heeft hij zich vaak de moeite getroost om in woord en geschrift datgene wat zijn inzicht toegankelijk was weer te geven omtrent de grondslagen van de Antroposofische Vereniging.[6] Wie een institutie zoals het Goetheanum als gerechtvaardigd wil erkennen, dus lid van de Antroposofische Vereniging wil worden of blijven, zal in principe (zij het wellicht in detail op andere wijze) het niet zonder een dergelijke inspanning tot zelfbezinning kunnen stellen, zoals de schrijver het als resultaat van zijn eigen streven naar inzicht toentertijd aan de leden van de Antroposofische Vereniging heeft voorgelegd. Heden richt hij zich opnieuw tot hen in het vertrouwen in de onbedwingbaarheid van de waarheid.

Arlesheim, juni 1979



[1] Voor het eerst verschenen in het tijdschrift  Mitteilungen  van de  Arbeitskreis zur geistgemäben Durchdringung der Weltlage  Nr. 9/10, Dornach, 1969. 
[2]  Idem Nr.15, Dornach, 1970
[3] Bedoeld is hier de “Nachlassverwaltung” in Dornach. In De oergedachte - Rudolf Steiners beschavingsprincipe en de opgave van de Antroposofische Vereniging, Nr.1 in de reeks Sociaalesthetische Studies (Willehalm Instituut, Amsterdam 1993) gaat Herbert Witzenmann nader in op de ontstaansgeschiedenis en geesteshouding van deze beheersvereniging. (Noot van de vert.)
[4] 2e druk 1981 Verlag “Beiträge zur Weltlage”, Dornach.
[5] Speciale uitgave “Mitteilungen des arbeitskreis zur geistgemäben Durchdringung der Weltlage”, Nr. 47, 48, 49 en 50, 1978 (Die “Prinzipien” Rudolf Steiners in ihrer sozialen und spirituellen Bedeutung,”, vertaald in “Beschaving en bescherming”, Willehalm Instituut 1994. Noot van de vert.).
[6] Zie vooral de volgende geschriften van de schrijver: “Warum ich dem Beschlub vom 14. Januar 1968 nicht zustimme”, 1968; “Im Vertrauen auf Verständnis”, 1972; “Vergangenheitsschatten und Zukunftslicht”, 1972 (later uitgegeven als “Gestalten oder Verwalten” en door het Willehalm Instituut  vertaald als “Vormgeven of beheren”, noot van de vert.) ; “Im Bemühen um Klärung”, 1973. Deze en andere daartoe behorende Duitstalige geschriften van de schrijver zijn verkrijgbaar bij Gideon SpickerVerlag.


* * *

VIII

De principes van de Algemene Antroposofische 
Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg 



Lycurgus, die soms ten onrecht met een rol perkament in zijn hand wordt afgebeeld, heeft geen geschreven woord achtergelaten. Hij heeft de richtlijnen die mensen kunnen volgen bij het oprichten van de gemeenschapsbouw (men ervoer ze destijds als “wetten”) in de harten der werklieden ingeprent. Want de harten van deze bouwlieden zelf waren de bouwstenen en het daaruit opgetrokken gebouw zou (daarop vertrouwde Lycurgus) zolang bestaan als zijn woord in de harten zou blijven leven.
            
Rudolf Steiner heeft vaak benadrukt dat het vastleggen van de doelen van een gemeenschap in schriftelijke vorm geen recht zou kunnen doen aan het gemeenschapsleven. Hij heeft even nadrukkelijk verklaard dat zo’n gemeenschap alleen haar weg zou kunnen vinden, indien ze zich voortdurend inzet voor de steeds bewustere verheldering van haar doeleinden. Hij heeft deze gemeenschap echter ook een uiterlijk zichtbare woonplaats gegeven in het Goetheanumgebouw. Hij heeft aan deze bouw in de letters van zijn literaire werk een tweede, voor fysieke ogen, zichtbare gestalte gegeven. Maar zoals het fysieke Goetheanumgebouw in leven moet worden gehouden door de bouw der harten, welks bestemming het is hem spiritueel te doordringen, zo zou het letterbouwwerk instorten, indien het niet door de spirituele bouw van de Hogeschool zou worden gedragen, die uit het kennisstreven van die kennisgemeenschap ontstaat die Rudolf Steiner de naam “Antroposofie” en een nieuwe doop door de Kerstbijeenkomst van de jaarwisseling 1923/24 heeft gegeven. Daarom moest in vele van die boekdelen, waarvan het de taak zou zijn om een echo van het gesproken woord van Rudolf Steiner vast te houden, de zg. aantekening van de Hogeschool afgedrukt worden. De zin van deze aantekening was te verklaren en te behoeden dat een mededelende verbinding van haar inhoud met de ontgoddelijkte wereld van onze tijd slechts op een spiritueel rechtvaardigende wijze plaats zou kunnen vinden, wanneer gelijktijdig een deze beschermende, door een gemeenschap gedragen verbinding met de goddelijk-geestelijke wereld gevonden zou worden. Losgemaakt van deze verbinding wordt zo’n uitgave zinloos en bedenkelijk. Het is onmiskenbaar duidelijk dat de betekenis van deze aantekening ver boven de bladzijden uitreikt waarop het afgedrukt werd en voortaan afgedrukt zou moeten worden: het omvat dus in wezen niet alleen het hele literaire werk, maar überhaupt het hele oeuvre van Rudolf Steiner. De verbinding van de Vereniging (in de buitenwereld) met de beweging (in de geestelijke wereld) moet als een onverbrekelijke begrepen worden, wanneer de Antroposofische Vereniging niet in een toestand wil terugvallen, die haar opdracht en daarmee het gebeuren van haar heroprichting verloochent. 

2

De principes genoemde statuten die Rudolf Steiner bij de oprichting van de Antroposofische Vereniging heeft gegeven, vormen in de aangeduide zin met de mantra's die hij bij de grondsteenviering van de oprichtingsdaad sprak, één geheel. Ze behoren met deze tezamen als uiting der onbreekbare eenheid van veruiterlijking en verinnerlijking.
            
Maar zoals de mantra's naast een meditatieve bestemming ook een vergelijkbare “uiterlijke” betekenis en bestemming hebben, zo hebben de principes ook een vergelijkbare “innerlijke”. De mantra's willen de ziel niet alleen een weg naar meditatieve verinnerlijking wijzen; ze willen ook in haar betekenis voor de handelende mens gekend worden, dus naar buiten wijzen. Ze willen uiteraard niet in de zin van een kant en klare maatstaf begrepen worden, waarmee een handeling gemeten zou kunnen worden, of zelfs een voorschrift zijn waaraan deze zou moeten voldoen. Veeleer kunnen de mantra's in het geval van een handeling als een gewetensstem klinken, die echter niet beveelt of verbiedt, maar het observatievermogen ervoor scherpt of een in dienst van het werk van Rudolf Steiner te geschieden handeling, met deze eenheid van het esoterische en het exoterische overeenstemt. Deze eenheid vormt het wezen van de aan de heroprichting ten grondslag liggende daad en de hiervan uitstralende ziele-geestelijke standvastigheid van hen die daaraan deelnemen. Met de verinnerlijking van deze richtinggevende standvastigheid is dat orgaan voor “overeenstemming” bedoeld, welks betekenis, met name voor de actieve leden, Rudolf Steiner sinds de Kerstbijeenkomst steeds weer ter sprake heeft gebracht, zonder dat echter de toegangswijze tot het instrument van deze harmonie begrepen zou worden.
            
Op vergelijkbare wijze kan men van een meer naar binnen gerichte betekenis van de principes spreken. Ze spreken niet alleen van de levens- en organisatievormen volgens welke de Antroposofische Vereniging zich een uiterlijke gestalte in het sociale leven wil geven. De principes wenden zich net als de mantra's ook tot de belevende ziel met de bedoeling deze door aansporing van haar innerlijke beweeglijkheid te bevorderen. Deze andere kant van de principes wordt evenwel pas duidelijk, wanneer men zich met hun opbouw bezig houdt. Zodra men dit doorziet, zal men echter merken dat in de principes hetzelfde, alleen  meditatief bereikbare oerbeeld tot uitdrukking komt dat ook aan de mantra's ten grondslag ligt. Men beseft dan dat alles wat er in het verloop van de Kerstbijeenkomst en in het vervolg daarvan gebeurde, vanuit dezelfde geestelijke oorsprong gestalte kreeg.

3

De opbouw van de principes en de zinvolle beweging die daarin werkzaam is, kan vanuit verschillende gezichtspunten beschouwd worden. Daarvan zal er hier één naar voren worden gebracht, die met behulp van getallen een gemakkelijk herkenbare samenhang duidelijk maakt. Deze samenhang kan aangetoond worden aan de hand van de getallen die voor de paragrafen staan. Door de verwijzing naar een dergelijke getallenwetmatigheid zal de aandacht echter niet alleen op een slechts uiterlijk constateerbare regelmaat gevestigd worden; dit te ontdekken zou nauwelijks meer dan een spel zijn. Veeleer zal op drie kenmerken van de principes gewezen worden:
1. Dat de paragrafen van de principes in drie groepen kunnen worden ingedeeld, iets wat inderdaad vooralsnog de oppervlakte betreft;
2. Dat de strenge en kunstzinnige bouw van de principes nog een keer op een andere en misschien betekenisvollere manier dan door hun inhoud, hun zinsverband tot uitdrukking brengt, waarbij de zindrager minder de bestaande geleding van de principes is, dan de beweging die door deze groepen gaat en ze tot een eenheid aaneensluit;
3. Dat zich in deze kenmerken de samenhang van de principes met de mantra's openbaart.
            
Slechts een nuchter bezinnen is vooreerst nodig, wanneer men de toegang wil vinden tot de drieledige bouw van de principes en de melodische beweging van de opeenvolging van hun paragrafen. 
            
Schrijft men de getallen van de paragrafen in een zigzaglijn op, ongeveer in de vorm van een kroon, dan ontstaat hun indeling in drie groepen:

Geestesschouwen                                        a)    1          5             9          13
Wereldvervreemding - Wereldkennis                  \        /  \          /  \         /  \
Geestbezinnen                                             b)       2    4     6      8    10   12  14
Zelfvervreemding - Zelfkennis                                \   /        \   /         \  /          \
Geestherinneren                                           c)         3            7           11         15   
Mensenvervreemding - Mensenkennis
               
De zeven even getallen vormen in deze groepering de middelste reeks b) 2,4,6,8,10,12,14.
            
De oneven getallen vormen de beide buitenste reeksen a) en c):
a) 1,5,9,13 (vier getallen op een afstand van steeds vier eenheden);
c) 3,7,11,15 (vier getallen op een afstand van steeds vier eenheden).

§ 8 vormt het midden van de middelste reeks alsmede van alle paragrafen.[1]
            
Deze rangschikking kan men vanuit het gezichtspunt beschouwen, dat de principes vorm en uitdrukking van een vrije gemeenschap willen zijn. Zo’n gemeenschap bewijst zich op moderne wijze voor zichzelf en voor de wereld door die eenheid van het uiterlijke en het innerlijke, waarop hier al werd gewezen. Over de betekenis van deze eenheid heeft Rudolf Steiner ook gesproken in verband met het nieuwe gestalte geven aan kunstzinnige vormen waaruit het Goetheanumgebouw is ontstaan. Zou men het Goetheanum in stijlvormen gebouwd hebben die overeenkwamen met de kunstzinnige vormgevingsvermogens van vroegere tijdperken, dan zou daarmee de Antroposofische Vereniging volgens de woorden van Rudolf Steiner zich als sekte gemanifesteerd hebben. Alleen een gemeenschap die vanuit haar innerlijk leven de uitdrukkingsvormen van haar uiterlijke verschijning ontwikkelt, is een vrije en moderne, omdat ze vanuit een innerlijk scheppende oorsprong door de bewijzende daad op de voorgrond treedt. In een van buiten overgenomen omhulsel zou ze slechts een marginaal en in zichzelf besloten leven kunnen leiden. De krachteloosheid in de bouwkundige stijlvorming zou daarom een uiting van een nog veel groter onvermogen zijn. De vormgeving van een vrije gemeenschap is een kwestie van stijlvorming. Het is een kwestie van stijl, kunstzinnige vastberadenheid en sociaal-esthetische zekerheid van vormgeving, hoe een gemeenschap in haar positieve zelfweergave en in haar afwerende begrenzing, gelijkermate onberoerd door sektarisch fanatieke weigering en politieke collaboratie, op de voorgrond treedt.
     
Mocht een vrije gemeenschap zich zodanig stijlvormend door het spirituele doordringen van het uiterlijke met het innerlijke willen ontwikkelen en manifesteren, dan heeft ze een midden nodig dat deze beide polariteiten verbindt. Dit midden treedt, voor zoverre het een echt midden is, tot deze beide polariteiten in de verhouding van de ritmisch voortschrijdende overgang die het belichaamt. Op deze manier wordt het midden tegelijk ook een soort waarnemingsorgaan voor de samenhang tussen polariteiten, alsmede voor hun verscheidenheid en het proces van de zich ontwikkelende vereniging ervan.
     
Een vrije gemeenschap kan geen “juridische” persoon, geen gepersonifieerd organisatiesysteem zijn. Ze kan zich alleen als de bovenpersoonlijke realiteit van een gemeenschappelijk vrij bewustzijn manifesteren, zoals het zich kan vormen in een kennisgemeenschap die zich van een speelruimte tussen het beleven van de geestelijke en zintuiglijke wereld bewust is. Bovenpersoonlijkheid betekent hierbij niet het oplossen van individuele bewustheid en zelfstandigheid in een andersoortige realiteit. Het is veeleer het gemeenschappelijk bewustzijn dat ontstaat in het gelijke kennisstreven van verenigden, die de aanwezigheid van een weliswaar gelijke, maar slechts in individuele handelingen vatbare, universele spiritualiteit gewaar worden, zoals dat in ieder individueel geactiveerd beleven van een geestelijke inhoud ervaren wordt.
     
Een dergelijke eenheid van het esoterische en het exoterische, het universele en het individuele, die door een ritmisch midden, een kloppend hart, een stromende adem verbonden zijn, kan haar volle werkelijkheid pas sinds de stichting van het Christendom vinden. Want eerst door het openbaar worden van de mysteriëngeheimen van de incarnatie van het geestelijke en de transsubstantiatie van het fysieke in een godmenselijke levensloop, is het mogelijk geworden dat het innerlijke en het uiterlijke, mysterie en openbaarheid, openbaringen van hetzelfde wezen zijn. Daarom is iedere moderne gemeenschap die zich in vrije, individuele wakkerheid de stijl van haar uiterlijke verschijning verschaft, een christelijke. Ze kan haar bestaan niet programmatisch of dogmatisch in principes vastleggen of aan beloften binden, maar alleen opgeroepen en aangemoedigd worden tot het zich steeds vernieuwende bewustzijn van de in volharding te volbrengen opgave om zichzelf te verwerkelijken. Derhalve moeten de principes van een christelijke moderne vereniging dynamisch ritmische uitstralingskracht bezitten.
     
Een werkelijk moderne vereniging zal zich dus in een drieledige gestalte als het ritmische proces van de verbinding van twee polariteiten door een midden vertonen. Deze drieledigheid wordt in de uiterlijke verschijning van de principes zichtbaar, zodra men begrijpt waar de in een zigzaglijn opgestelde reeks getallen naar verwijst.

b) De middelste reeks van even getallen omvat alle paragrafen die de eenheid van het esoterische en het exoterische betreffen. Alleen een dergelijke eenheid kan het midden van een stijlvormende gemeenschap zijn, die van haar leven tussen deze beide polariteiten blijf geeft. Men kan zich er vooruitlopend van verwittigen, wanneer men naar § 8 kijkt die in het midden van deze reeks en daarom ook in het midden van alle andere paragrafen staat. Het betreft de eenheid van het uitgeven van het literaire werk van Rudolf Steiner en de verinnerlijking van het kennis- en gemeenschapsleven, die de eendracht onder de leden van de Vrije Hogeschool dient te vormen. Deze verinnerlijking vormt de bescherming en betekent de zin van het uitgeven. Deze paragraaf belicht dus de hoge opdracht van een vrije gemeenschap, een opdracht die onlosmakelijk met haar wezen verbonden is, namelijk de verantwoordelijkheid te aanvaarden dat het initiatieprincipe weer beschavingsprincipe zou moeten worden en waardoor de beschaving deze nieuwe impuls zou kunnen krijgen.
     
De verspreiding van het literaire werk van Rudolf Steiner is daarom alleen spiritueel mogelijk op de ademstroom van een levende kennisgemeenschap, van een Vrije Hogeschool. Deze dragende adem kan weliswaar niet waargenomen worden met fysieke zintuigen. Zijn werking zal echter daar waar hij aanwezig is, des te groter zijn; de hem tegenoverstaande tegenwerking daar waar hij ontbreekt, des te bedenkelijker. Een taak is daarmee gekenmerkt die door middel van beheren niet oplosbaar is.
     
In welk opzicht het hier aangeduide voor alle paragrafen van even getallen geldt, zal in het volgende nog preciezer uiteengezet worden. Wanneer men echter het aangeduide voorlopig accepteert, dan is al in te zien dat men in het volgen van de dalende en stijgende reeks getallen voortdurend door het eenheidgevende midden heen schrijdt.
     
a) De getallen 1, 5, 9, 13 in de bovenste reeks van de zigzaglijn wijzen op de paragrafen die de uiterlijke gestalte van de Vereniging en de Hogeschool betreffen. Deze gestalte kan weliswaar alleen vanuit de diepere bronnen van het geestesleven gevoed en verlevendigd worden. Ze moet echter op de voorgrond treden in vormen, die voor de buitenwereld volop toegankelijk zijn.
     
c) De getallen 3, 7, 11, 15 in de onderste reeks van de zigzaglijn duiden de paragrafen aan die de verankering van Vereniging en Hogeschool in de geestelijke wereld betreffen. Deze verankering moet weliswaar in de uiterlijke wereld zichtbaar werkzaam zijn, maar kan echter alleen door een beleven van de geestelijke wereld bewust gemaakt worden.

Een tegenwerping die het vertrouwen in de deugdelijkheid van het aangeduide bouwprincipe aan het wankelen zou kunnen brengen, betreft § 15. Men zou kunnen geloven dat deze zonder kompositionele betekenis is, daar die er naderhand aan toegevoegd zou zijn. In dit verband zou men er überhaupt aan kunnen twijfelen of de hier voorgestelde rangschikking van de paragrafen wel recht doet aan de totale compositie van de principes. Dat echter een paragraaf, die zoals § 15 het oprichtingsbestuur van de opnieuw gevormde Antroposofische Vereniging benoemt en daarmee opneemt in het totale verband van de principes, niet kon uitblijven, zal men des te minder betwijfelen, hoe meer men zich van de betekenis van de dubbele erkenning van het oprichtingsbestuur door de geestelijke wereld en de aanwezige kerngroep van de Vereniging bewust wordt. Rudolf Steiner heeft zich hierover in niet mis te verstane woorden geuit. Hij kon echter deze paragraaf juist om die reden niet in zijn oorspronkelijke versie van de principes opnemen, omdat hij aan het proces van erkenning als een vrij besluit de grootste betekenis hechtte. Hij mocht deze dus niet tot een fictie maken door erop vooruit te lopen. Ook bij de eerste afdruk van de principes, die deze aan alle leden bracht (dus ook aan degenen die niet aan de oprichting zelf deelnamen), moest deze paragraaf vooralsnog ontbreken. Want de deze dragende realisering was inhoudelijk pas voltooid, indien  alle leden de mogelijk hadden de overeenkomstige bewustzijnsdaad te voltrekken.

4

Laten wij nu proberen het aangeduide met het oog op de inhoud van de principes grondiger te onderbouwen en daarbij uitgaan van de paragrafen van even getallen, die in de hier voorgestelde rangschikking de middelste reeks vormen.

I. De paragrafen 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14 brengen gezamenlijk de van paragraaf 8 als het ware naar beide kanten uitstralende idee van de eenheid van het esoterische en het exoterische tot uitdrukking, deze herbeleving van wetenschap, kunst en het sociale leven die slechts dan mogelijk is, wanneer het inwijdingsprincipe weer beschavingsprincipe wordt.
     
§2 van de principes spreekt over de verhouding van de geesteswetenschap tot de huidige beschaving. De persoonlijkheden die de kerngroep van de Antroposofische Vereniging vormen, geven uitdrukking aan hun overtuiging dat “er een wetenschap van de geestelijke wereld bestaat en dat aan de huidige beschaving de beoefening van een dergelijke wetenschap ontbreekt. De Antroposofische Vereniging dient deze beoefening tot haar taak te hebben”. Het grondmotief van alle paragrafen van de middelste reeks: de vereniging van het geestelijk beleven, kennen en onderzoeken met het uiterlijke leven, de vereniging van het esoterische en het exoterische, klinkt er dus meteen in door.
     
§ 4 betreft de voorwaarden voor het toetreden tot de Vereniging. Deze zijn de ruimst denkbare: ze zijn volledig vrijlatend. Ze eisen niets van het nieuw tot haar toetredende lid, maar willen slechts bij de reeds in hem levende belangstelling aanknopen. De Antroposofische Vereniging stelt dus geen eisen, ze wil veeleer bevorderen wat reeds als behoefte in mensen leeft die zich met haar willen verbinden. “Van haar kan iedereen zonder onderscheid van natie, stand, religie, wetenschappelijke of kunstzinnige overtuiging lid worden, die in het voortbestaan van een institutie zoals dat  het Goetheanum in Dornach als Vrije Hogeschool is, iets gerechtvaardigds ziet”. Bij § 4 gaat het er dus om dat een Vrije Hogeschool, een nieuwe mysterieplaats, in een openbare Vereniging haar opgave zoekt. Deze paragraaf spreekt van de tweevoudige vrijheid die de mens verkrijgt, wanneer hij zich kennend met de geestelijke wereld verbindt, en die hij als vrij mens in de hem tegemoet tredende mens respecteert. De inhoud van deze paragraaf is opnieuw de vereniging van het esoterische en het exoterische in de zin van de opdracht het inwijdingsprincipe weer tot het beschavingsprincipe te maken.
     
§ 4 stelt met zijn royaal vrijlaten geen voorwaarden aan de toetredende, waaraan deze zich dient te verplichten. Maar juist daarom kan deze paragraaf niet voor de blinde bereidheid van de toetredende werven om zich tot aspiraties te wenden die hij niet of slechts zeer onnauwkeurig kent. Een toetreden dat onder zulke gebrekkige voorwaarden gebeurt, zou geen vrije handeling zijn. Daarom moet deze stap op de kennis van de toetredend gegrond zijn, die volgens de tekst van de paragraaf zijn verzoek om lidmaatschap zelf daardoor motiveert dat “hij in het voortbestaan van een institutie zoals dat het Goetheanum in Dornach als Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap is, iets gerechtvaardigds ziet”. Deze instemmende verklaring kan natuurlijk alleen een waarachtige, dus inhoudvolle zijn en niet slechts begrepen worden als een formaliteit, als uitdrukking van de goedkeuring om de informatie in een kaartenbak op te slaan. Het waarheids- en bewustzijnsgehalte van het proces van toetreding en opname in de Vereniging moet daarom met een ernst gewaardeerd en bekrachtigd worden, die met het wezen en de waardigheid van de Vereniging alsmede van de toetredende overeenstemt. Het toetredingsproces niet op deze wijze tot uitdrukking brengen, zou niet alleen onwaardig en onwaarachtig zijn, maar gewoonweg het niet uitvoeren van de opname betekenen, die als pure administratieve handeling (gezien de in de “overeenstemming” door de opnemende aanvaarde verantwoordelijkheid voor het nieuwe initiatieprincipe) überhaupt als niet gebeurd gelden kan. De opname in de Vereniging kan daarom in de zin van haar principes in geen geval alleen op grond van een schriftelijk verzoek en schriftelijke bevestiging plaatsvinden. Een dergelijk lichtvaardige manier van doen zou in flagrante tegenspraak zijn met de geestelijke grondslagen van de Vereniging. De Vereniging kan haar grondslagen alleen in het bewustzijn van vrije individualiteiten vinden, die hun beslissingen nemen in de ernst en helderheid van het inzicht verschaffende overzicht. De paragraaf over de opname in de Vereniging doet daarom een hoge aanspraak op de opnemende. Deze moet zich niet alleen van de spirituele betekenis van het door hem verantwoorde proces bewust zijn; hij moet ook beschikken over een overzicht over de inhoud van de in ontvangst te nemen of over te dragen instemmingverklaring. Zodoende zou het intakegesprek in grote trekken naast de inzichten in het wezen van het kennen, het geestelijke wezen van de mens en de wereld, zoals die in de fundamentele werken van Rudolf Steiner toegankelijk gemaakt worden voor de individuele psychische observatie, ook de betekenis van de heroprichting van Vereniging en Hogeschool door de Kerstbijeenkomst van de jaarwisseling van 1923/24 in een toenadering van inzichten begrijpelijk moeten maken. Daarbij kan natuurlijk ook de historische plaats van de Kerstbijeenkomst binnen de voorafgaande en daaropvolgende gebeurtenissen niet buiten beschouwing blijven. Het wordt de toetredende daarom duidelijk, met welke dramatische en lijdensvolle opeenvolging van gebeurtenissen hij zich verbindt; dat hij dus niet toevlucht mag verwachten in de billijke overeenstemming van milde gemoederen, maar de in deelname aan offer, schuld en onverbloemde confrontaties tussen onderlinge stromingen die naar verschillende richtingen streven en die vooral in de algemene ledenvergaderingen van de Vereniging zich aan elkaar kenbaar dienen te maken. Een grondige kennis van de niet sektarische, maar het zich in de historische geestesstrijd manifesterende wezen van de Vereniging behoedt de toetredende van het begin af aan voor teleurstellingen, die hij bij later inzicht in de wereldhistorische tragiek van de Antroposofische Vereniging zou moeten ondervinden, wanneer zijn besluit om toe te treden onder valse intellectuele of gevoelsmatige voorwaarden plaats zou vinden. Er wordt daardoor echter ook een voorzorgsmaatregel getroffen om te voorkomen dat binnen de Antroposofische Vereniging zich tendensen voordoen die het bewustzijn van haar historiciteit onderdrukken of die zelfs toestemming van de meerderheid verkrijgen willen door hun gedweeheid tegenover sympathiserende of anti-sympatiserende groepsbelangen, of door gebrekkige, niet tot de werkelijkheid doordringende waarheidsmoed. De Antroposofische Vereniging is geschiedenis, omdat ze een bewustzijnsgestalte van elkaar bejegende mensen is, een in de eeuwigheid van haar individualiteiten juist door hun metamorfose in de stroom van het historische bewaard gebeuren. Deze paragraaf moet derhalve ook als waarschuwing voor de onmenselijkheid van de onthistorisering begrepen worden. Hij drukt ook de gedachte op het hart, hoe een niet in de zin van deze paragraaf, dus in waarheid niet plaatsgevonden toetreding tot de Antroposofische Vereniging achteraf door een werkelijke voltrekking bewaarheid en de voorafgaande kwetsing van het toetredingsprincipe geheeld zou kunnen worden.
     
§ 6 bepaalt het recht van de leden om aan alle door de Antroposofische Vereniging georganiseerde opvoeringen en bijeenkomsten deel te nemen. Wederom gaat het om een zich naar buiten open stellen, onder de voorwaarden die het bestuur, gezien zijn innerlijke verantwoording voor de geestelijke wereld, als juist dient te erkennen.
     
§ 8 heeft een bijzondere betekenis, want hij vat niet alleen de zin en inhoud van de middelste paragrafen, maar ook alle andere paragrafen van de principes samen. Hij behelst de zogenoemde aantekening van de Hogeschool, die de onscheidbaarheid van de publicatie van het hele literaire werk van Rudolf Steiner, ook van zijn voordrachtswerk en in ruimere zin van zijn hele oeuvre, van het innerlijke leven van de Vrije Hogeschool betreft. Dat de betekenis van deze paragraaf ver boven zijn engere bereik uitreikt werd reeds ontwikkeld. Men ziet dit des te beter in, naarmate men zich ervan bewust maakt dat de Kerstbijeenkomst een geestlevend geheel is dat zich aan elk van haar geledingen in haar volledige betekenis, zij het ook in steeds veranderde verschijningsvormen, meedeelt. Daarom zou het volstrekt verkeerd zijn, zich op de tekst van deze paragraaf te beroepen en daaruit slechts conclusies te trekken. Veeleer komt het er op neer hem in zijn spirituele samenhang te begrijpen en hem na te leven in de geest die erdoor ademt. Dit zal na het overzicht over de gehele bouw van de principes nog duidelijker worden.
     
§ 10 stelt vast dat de Antroposofische Vereniging elk jaar een gewone jaarvergadering in het Goetheanum houdt. Het bestuur dient daarin een volledige rekenschap en verantwoording over zijn werkzaamheden af te leggen; de leden en groepen treden met hun eigen berichten en moties voor het bestuur en de vergadering. Een jaarverslag kan uiteraard instemming of afwijzing krijgen. Bij afwijzing zou het bestuur de vertrouwenskwestie moeten stellen. De instemming kan in een vrije Vereniging niet in een passief aannemen bestaan, maar alleen in de vorm van de gemeenschappelijk, op zijn waarde getoetste vaststelling van een nieuw werkgebied, dat voortkomt uit het tot dusver bereikte. Over de verdere uitwerking ervan zouden bestuur en leden in een proces van voorstel en overleg het eens moeten worden. Dit zou als een vooruitblik op het nieuwe werkjaar in de zin van een vertrouwensverklaring de decharge, de ontheffing van het bestuur door de leden betekenen. Ook deze paragraaf karakteriseert de ontmoeting van het uiterlijke en het innerlijke, van het centrale en het perifere leven van Vereniging en Hogeschool, hij verbindt beide gebieden in de geest van hun taken.
     
Het is van belang ook juist deze paragraaf in verband met die “middelste lijn” te bekijken, die door alle even genummerde paragrafen gevormd wordt. De vorm en het verloop van de door hem gekenmerkte Algemene Ledenvergadering moet dáárdoor bepaald zijn, dat hierin het kennis vergarende gesprek van zulke persoonlijkheden zich dient te ontplooien die elkaar in een kennisgemeenschap willen vinden, doordat zij niet pogen elkaar iets op te dringen of af te dwingen, maar uit eigen innerlijke vrijheid de vrije behoeften van de elkaar ontmoetende mensen willen bevorderen (zie het hierover in § 4 gezegde). In deze ontmoeting dient een soort uitwisseling van het bewustzijn van periferie en centrum in vreedzame strijd plaats te vinden.
     
§ 12  zou in zijn betekenis licht miskend kunnen worden, daar hij met het vaststellen van de contributie van de leden slechts aan een uiterlijke noodzakelijkheid lijkt te voldoen. De vaststelling van ledenbijdragen die enerzijds naar de perifere groepen, anderzijds naar de centrale leiding dienen te vloeien, moet echter wederom gebeuren in de zin van de samenklank van het innerlijke en het uiterlijke, van beweging en Vereniging. Deze paragraaf richt verder de aandacht erop dat dit leven voor zijn gezonde ontplooiing dragende offerstromen behoeft, welks uitdrukking in geld slecht begrepen wordt, wanneer men deze alleen als een materiële ziet, en niet als een zodanige die de samenklank van innerlijke verantwoording en naar buiten gericht werken behelst.
     
§ 14 informeert de leden van de Antroposofische Vereniging dat ze door het ontvangen van het weekblad “Goetheanum” en zijn bijvoegsel, dat over de interne aangelegenheden van de Vereniging bericht, kunnen deelnemen en meewerken aan de vorming van eendrachtig bewustzijn binnen de Vereniging. Een zodanig homogeen bewustzijn kan zich alleen vormen wanneer de kijk op de actuele gebeurtenissen gepaard gaat met die op het interne leven van de Vereniging. Het een, zowel als het andere uit zich in de onderscheiding van de taken van beide publicaties, hoewel ook elk van hen op genuanceerde wijze beide taken tegelijkertijd toekomen.

Overzien wij nog eens de reeks paragrafen; § 2, de geesteswetenschap en de huidige beschaving; § 4, de openbaarheid van de Antroposofische Vereniging en de instemmende interesse van de tot haar toetredende voor de Vrije Hogeschool; § 6, de deelname aan de bijeenkomsten (rechten van de leden) en de daarvoor door het bestuur bekendgemaakte voorwaarden; § 8, de openbaarheid van alle publicaties en de aantekening van de Hogeschool; §10, Algemene Ledenvergadering, het bestuur en de leden; § 12, ledenbijdragen aan groepen en het centrum; § 14, weekblad en nieuwsblad.

Dit overzicht toont in de zin van het vorige duidelijk aan dat de vleugels van § 8 inhoudelijk over deze gehele reeks paragrafen gespreid zijn, en dat men in de begrijpende voortgang door alle paragrafen van de principes, een innerlijke oefening makend, altijd de doorgang door een midden van het verlevendigen maakt, waarin het esoterische en het exoterische, Vereniging en beweging, zich zo dienen te verbinden zoals dit overeenkomt met de heroprichting van het initiatieprincipe tot het beschavingsprincipe.
     
Mensen die in deze geest aan het leven van een vrije gemeenschap deelnemen, zullen zich daarin niet van hun eigen wezen ontdaan voelen en aan die voortdurend toenemende zelfvervreemding ten prooi vallen die één van de meest bedenkelijke symptomen van de huidige wereldsituatie is. Zij zullen veeleer op deze weg een waar zielenevenwicht tussen het esoterische en het exoterische, tussen verinnerlijking en naar buiten gerichte bezigheid zoeken en kunnen vinden. Door een dergelijk zielenevenwicht zullen zij tot een waarachtig zelfbesef kunnen komen en een psychische herbeleving.
     
Wanneer men zich hiervan bewust maakt, ziet men ook in dat de middelste reeks paragrafen overeenstemt met de middelste mantra binnen de meditatieve woorden, in wier zindragende klankgestalte Rudolf Steiner de grondsteen vormde, die hij bij de heroprichting van de Antroposofische Vereniging aan de harten van de leden toevertrouwde. Deze woorden manen tot het oefenen van “zielenevenwicht, waar de golvende wereldwordende daden het eigen Ik met het wereld-Ik verenen”, zodat gehoord kan worden het woord: “In de Christus wordt leven de dood.”

II. Laten wij nu kijken naar de paragrafen 1, 5, 9, 13, die in de hier aangetoonde zigzagvolgorde de bovenste reeks vormen. Deze paragrafen hebben alle gemeen dat ze erop wijzen in welke aard een geestbewogen Antroposofische Vereniging, een vrije kennisgemeenschap, in staat is voor de wereld te treden, zich tot de wereld te wenden, deze uit te nodigen en de resultaten van haar werken en streven in de wereld uit te dragen.

§1 kenmerkt de Antroposofische Vereniging als een kennisgemeenschap, als “een vereniging van mensen die het zieleleven in de individuele mens en in de menselijke samenleving op grond van een ware kennis van de geestelijke wereld willen verzorgen”. In deze zin keert zich de Antroposofische Vereniging naar buiten, treedt ze op in de wereld en nodigt ze deze uit om deel te nemen aan haar streven.
     
§ 5 wijst erop dat de Antroposofische Vereniging een Vrije Hogeschool als haar centrum omhult, een moderne mysterieplaats, die in drie klassen is ingedeeld. “De Antroposofische Vereniging ziet een centrum van haar werkzaamheden in de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap. Deze zal uit drie klassen bestaan”. Over opname in de Hogeschool dient de leiding van het Goetheanum in de zin en geest van haar verantwoordelijkheid te beslissen. Ook de mysterieschool heeft dus een ruim naar buiten geopende toegang. Want de voorwaarde voor het toetreden tot deze school is in het algemeen slechts dat men een bepaalde tijd lid is van de Anhroposofische Vereniging. Op grond van de geheel vrijlatende toetredingsmogelijkheden behoort de Vrije Hogeschool zelfs met een deel van haar bestand tot de openbaarheid, doch slechts in zoverre ze zich openstelt voor de in het volle bewustzijn van hun beslissing toetredenden. Daarom heeft het intakegesprek met degenen die om opname in de Vrije Hogeschool verzoeken een nog hogere betekenis dan het gesprek dat bij de opname in de Vereniging dient plaats te vinden. Wezen, taak en ontstaansvoorwaarden van de Vrije Hogeschool, alsmede de verantwoordelijkheid welke de om opname verzoekende op het punt staat op zich te nemen, zijn de uit het wezen van het opnameproces blijkende inhouden van dit gesprek.
     
§ 9 wijst de Antroposofische Vereniging als doel “de bevordering van onderzoek op geestelijk gebied”, aan de Vrije Hogeschool  “dit onderzoek zelf” toe. Met uitsluiting van alle dogmatiek richt dit onderzoek zich op moderne wijze tot de openbaarheid, doordat ze deze tot deelname uitnodigt door het bevorderen en in ontvangst nemen van haar doelstellingen en resultaten.
     
§ 13 constateert: “elke werkgroep stelt haar eigen statuten op: deze dienen echter niet in tegenspraak met de statuten van de Antroposofische Vereniging te zijn”. Door het opstellen van zulke statuten kan zich in de groepen in voortdurende aanpassing aan haar vrij intern leven in steeds sterkere mate een bewustzijn van haar taken en haar eigen (door historische en cultuurgeografische plaats bepaald) wezen ontwikkelen. Alleen op grond van een dergelijke bewustzijnsvorming, die met de centrale opgaven van de Vereniging overeenstemming zoekt, kan zo’n groep in de juiste verhouding tot het centrum van de Vereniging staan en onder dit gezichtspunt relaties met de persoonlijkheden aanknopen die wensen tot haar toe te treden. Deze paragraaf spreekt niet alleen van recht van de leden, maar (hoewel geen plicht, daar een vrije Vereniging haar leden niet verplicht) ook van een taak van de in groepen bijeenkomenden. Het opstellen van de statuten heeft binnen de groepen de betekenis van bewustwording van de zelfgekozen opgave.
     
Laten we nog eens kort de paragrafen 1, 5, 9, 13 bekijken: § 1, de Antroposofische Vereniging treedt op als kennisgemeenschap voor de wereld; § 5, haar centrum wordt gevormd door een uit drie klassen bestaande Hogeschool, die op grond van de verbondenheid met een Vereniging toegankelijk is, die in de openbaarheid staat; § 9, de Antroposofische Vereniging richt zich door de bevordering van het spirituele onderzoek tot de openbaarheid, de Vrije Hogeschool door dit onderzoek zelf; § 13, de werkgroepen maken door hun eigen statuten de nieuw toetredende leden duidelijk in welke samenhang zij door hun toetreding met het centrum van de Vereniging komen te staan.
     
Anders dan de even genummerde paragrafen, waarin het evenwicht van het innerlijke en het uiterlijke tot uitdrukking komt, geven deze paragrafen weer hoe de Antroposofische Vereniging er naar de buitenwereld toe uitziet en hoe ze zich tot deze richt. Ze doet dit als een kennisgemeenschap, als een behoedster van een Vrije Hogeschool of nieuwe mysterieplaats, als een Vereniging waarin het spirituele onderzoek bevorderd en uitgevoerd wordt en waarvan de groepen op grond van een spirituele bewustwording over hun eigen wezen en over de door henzelf opgenomen taak met de buitenwereld omgaan. Ze doet dit, en kan het slechts doen, vanuit een geestesschouwen, vanuit een schouwen in de spirituele ontstaansgronden van onze natuurlijke en sociale wereld en de ziele-geestelijke behoeften van de daarin levende mensen. Een zodanig geestesschouwen is geëigend om dat andere bedenkelijke symptoom van de wereldsituatie te overwinnen dat zich als wereldvervreemding ten aanzien van een ontgeestelijkte wereld met de zelfvervreemding van de daarin levende mensen verbindt. Een kennisgemeenschap die trouw aan de op zich genomen taak en in wederzijdse ondersteuning van haar leden het geestesschouwen nastreeft, kan zich echter in de buitenwereld stellen als de drager van een bewustzijn dat in de ogen van deze wereld niet vreemd blijft en steeds vreemder wordt. Want zo’n gemeenschap kan weten dat ze op het geestelijke wezen van deze wereld met de eigen kennende geest rust.
     
Verschaft men zich hier klaarheid over, dan bemerkt men dat de paragrafen van deze reeks met de derde strofe van de mantra's overeenkomen. Deze maant tot het oefenen van “Geestesschouwen in gedachterust, waar de eeuwige Godendoelen wereld-wezens-licht aan ‘t eigen Ik voor ‘n vrij willen schenken”. Deze paragrafen spreken dus net als de met hun verbonden mantra over het handelen uit inzicht dat in vrijheid zijn wilsvermogen de buitenwereld in draagt, waarin het woord geldt: “In des geestes wereldgedachten ontwaakt de ziel”.

II. Laten we ons nu tenslotte tot de paragrafen 3, 7, 11, 15 richten die in de hierboven voorgestelde rangschikking de onderste reeks vormen. Ze hebben de verwijzing naar de verankering van de Antroposofische Vereniging in een geestelijke wereld gemeen. Ze betreffen dus in tegenstelling tot de paragrafen in de bovenste reeks, die de wending naar buiten vertegenwoordigen, de wending naar binnen.
     § 3 brengt in deze zin tot uitdrukking dat wij onszelf als mensen alleen dan waarachtig begrijpen en in een echte gemeenschap kunnen vinden, wanneer wij onze gemeenschappelijke verwezenlijking uit het goddelijke gewaar worden. Want “de in het Goetheanum beoefende antroposofie leidt tot resultaten die voor ieder mens zonder onderscheid van natie, stand of religie als stimulans voor het geestelijke leven dienen kunnen”. De antroposofie put dus uit de oerbronnen van het goddelijk-geestelijke, die naar alle mensen gemeenschappelijk stromen. Het zich eigen maken van wat uit deze bronnen vloeit “als levensgrondslag is niet aan een wetenschappelijke vormingsgraad gebonden, maar slechts aan het onbevangen mensenwezen”. Want deze kan met het oog op de geestelijke wereld zijn oorsprong gewaar worden. Het geesteswetenschappelijke “onderzoek en de deskundige beoordeling van haar onderzoeksresultaten zijn echter onderworpen aan de wetenschappelijke scholing, die stapsgewijs te verwerven is”. Men ziet aan deze woorden dat in deze paragrafen over de geestelijke, in alle mensen gemeenschappelijke wortels van de antroposofie wordt gesproken in verband met hun betekenis als levensgrondslag en scholingsweg.
     
§ 7 spreekt uit dat “de inrichting van de Vrije Hogeschool ... bij Rudolf Steiner berust”. De paragraaf vestigt de aandacht erop dat Rudolf Steiner de weg naar de geestelijke oorsprongen van de antroposofie op een zodanige wijze geopend heeft, dat ieder serieus strevende aan de opgave kan deelnemen om het initiatieprincipe weer tot beschavingsprincipe te maken en dat de grondlegging van dit nieuwe beschavingsprincipe een historische, dus onlosmakelijk met het wezen van een mens verbonden daad is.
     
§ 11 heeft het vormen van groepen tot inhoud. “De leden kunnen zich op elk plaatselijk of zakelijk gebied tot kleinere of grotere groepen aaneensluiten”. Het bestuur heeft vanuit het Goetheanum “datgene aan de leden of ledengroepen te brengen, wat het als de taak van de Vereniging beschouwt”. Ook de groepsvorming kan dus alleen in het bewustzijn van de geestelijke wortels van de antroposofie tot stand komen, in het bewustzijn van de doordringing van de beschaving met het initiatieprincipe, waarmee de opgave gekenschetst is die het bestuur aan de leden over te brengen heeft. Het innerlijke proces van de groepsvorming vanuit geestelijke vereniging moet de uiterlijke getuigenis van zijn volbewuste ernst in het opstellen van de statuten vinden, waar § 13 op wijst.
     
§ 15 noemt de leden van het oprichtingsbestuur en vestigt daarmee de aandacht op het feit, dat het bestuur zich in verhoogde verantwoordelijkheid aan de esoterische opgave dient te wijden die zich een moderne kennisgemeenschap eigen maakt. In deze zin duidt hij erop dat het bestuur binnen een kennisgemeenschap een esoterische opgave en ook in zoverre een esoterische roeping heeft als het aan deze opgave kan voldoen. Deze paragraaf is zowel een bevestiging als een bekrachtiging van de historiciteit van het oprichtingsbestuur.
     Overzien we wederom kort de paragrafen 3, 7, 11, 15: § 3, de gemeenschappelijke wezenswording van het menselijke uit het goddelijke als levensgrondslag en als impuls voor de spirituele scholingsweg; § 7, de inrichting van de Vrije Hogeschool door Rudolf Steiner; § 11, de groepsvorming in het bewustzijn van de esoterische opgave van de Vereniging die alleen op deze grondslag haar vertakkingen op een gezonde manier kan ontwikkelen; § 15, het bestuur.
     
Anders dan de paragrafen 1, 5, 9, 13, waarin de wending naar buiten tot uitdrukking wordt gebracht, zijn de paragrafen 3, 7, 11, 15 aan de wending naar binnen gewijd. De gemeenschappelijke verwezenlijking uit het goddelijke, waar alle naar kennis strevenden bewust van kunnen worden, komt doorlopend, zij het ook vanuit verschillende gezichtspunten, in deze paragrafen tot uitdrukking. Deze verankering in de geest is de grondslag van de gemeenschapsvorming, van de bevruchting van de beschaving, van de Vrije Hogeschool, van de groepsvorming binnen de Vereniging en van de inzet van het bestuur alsmede van zijn werkzaamheden in de vervulling van zijn taak. Deze paragrafen spreken erover dat in een moderne kennisgemeenschap door haar bewustzijn van de verbinding met de geestelijke wereld de derde van de grote vervreemdingen die de huidige wereldsituatie kenmerken, kan worden overwonnen: de mensenvervreemding. Want in het vergeten van hun geestelijke oorsprong, wordt het de mensen steeds vreemder van waaruit zij leven, hun eigen menselijkheid. In het zich herinneren aan hun geestelijke oorsprong echter kunnen zij deze vervreemding overwinnen en elkaar in vriendschapsverbonden mensenkennis vinden.
     
Daarmee wordt ook duidelijk dat deze paragrafen overeenkomen met de eerste strofe van de grondsteenmantra. Hierin klinkt de vermaning “geest-herinneren in zielediepten” te beoefenen. “waar in het heersende wereldschepper-zijn het eigen Ik in het Godes-Ik verwezenlijkt”. Door innerlijke verdieping kan het begrip voor wezen en oorsprong van het menselijke in het goddelijke nieuw leven ingeblazen worden in de zin van de woorden: “Uit het goddelijke verwezenlijkt de mensheid”.

5

Het overzicht van de complete opeenvolging van de paragrafen maakt duidelijk dat zij zich in drie groepen delen, die echter niet statisch naast elkaar gesteld, maar dynamisch met elkaar vervlochten zijn. De melodische lijn in de opeenvolging van de paragrafen gaat zeven keer door hun innerlijk midden in de levende pendelslag tussen de wending naar buiten en de wending naar binnen. Het midden tussen deze elkaar tegenovergestelde richtingen vormt de eenheid van het esoterische en het exoterische. Het is het midden van het geestbezinnen tussen de bewustzijnshouding van de innerlijke verdieping die het verwezenlijken van het eigen Ik in het Godes-Ik gewaar wordt, en de bewustzijnshouding van het geestesschouwen dat zich door het wereld-wezen-licht tot een vrij willen begiftigd weet. De paragrafen zijn dus niet onder het gezichtspunt geordend om ze in inhoudelijke overeenstemmende groepen samen te vatten. Hun opeenvolging richt zich veeleer naar de beweeglijkheid van de geestelijke adem die tot leven komt, wanneer die in haar voortgang de gebieden doortrekt, waartoe ze behoren. Pas wanneer men hierop acht slaat, zal men begrijpen waarom Rudolf Steinertoen hij de principes opstelde, van andere rangschikkingen afzag die zich onder zakelijke gezichtspunten zouden kunnen aandienen.

6

Uit het voorafgaande komt een overzicht naar voren van de principes waarin zich de paragrafen in drie groepen delen die over dezelfde oerideëen spreken als de mantra's: over geestesschouwen, geestbezinnen en geestherinneren. Ze beschrijven deze drie ideeën en metamorfoserende krachten van de ziel die hen tegemoet streven als de werkzame kennis- en levenskrachten van een vrije gemeenschap. Maar ze spreken hierover niet alleen door hun voorstelbare inhoud, maar nog veel meer doordat ze de ziel van degene die ze inzichtelijk vat op de oefeneningsweg begeleiden die tot de archetypische domein van deze ideeën leidt. De mantra's staan boven de poort van de nieuwe mysterieplaats, die zich naar binnen opent. Daarom hebben ze de vorm van meditaties en richten ze zich tot de bereidwilligheid van de ziel tot een innerlijk handelen, tot oefenen. De principes die boven de poort van de nieuwe mysterieplaats staan, die zich naar buiten toe opent, kunnen niet deze vorm hebben en ook niet de oproep bevatten die zich met de meditatieve klank- en zingestalte spiritueel verbindt. Doch ook de principes leiden de ziel die hun beweging actief wil volgen (waarbij ze echter volledig vrijgelaten wordt, daar de principes elke vorm van dwang mijden) door de ademstroom van hun ritmische opeenvolging op dezelfde weg waarnaar de mantra’s wijzen. Ze metamorfoseren zich voor de ziel die hun zachte, maar duidelijke aansporing verneemt tot een gebeurtenis die zich in spanning en ontspanning ontplooit. En deze innerlijke gebeurtenis is hun eigenlijke gehalte, hun openbaar geheim. Ze spreken niet alleen over een moderne gemeenschap, maar beginnen deze al in de luisterende en beweeglijke ziel gestalte te geven.
     
Onderkent en beleeft men dit openbaar geheim van de principes, dan vangt men er luisterend ook uit op, hoe ze met het wezen van de drie klassen van de Hogeschool doorweeft zijn, van hetzelfde wezen dat in de oerideeën van het geestherinneren, geestbezinnen en geestesschouwen van de mantra's voor onze geestesoog treedt. De principes en de mantra's onderscheiden zich van elkaar in de aard van hun uitdrukkingsvormen en verenigen zich tegelijkertijd met elkaar door hun gehalte. Het openbare geheim van de principes is de vormgeving van een esoterische gemeenschap die door de Antroposofische Vereniging, door het initiatieprincipe als beschavingsprincipe gedragen wordt; het openbare geheim van de mantra's is daarentegen de vormgeving van een openbare Vereniging die de Vrije Hogeschool als haar centrum omhult.
     
De principes zijn levensvormen van een kennisgemeenschap, ze zijn net als de mantra's haar grondsteen. Ze zijn echter net als deze ook de toetssteen voor het individuele handelen en gedrag. Ze zijn geen categorische imperatieven of zelfs recepten. Ze zijn veeleer de beschrijving van de geaardheid van een spirituele gemeenschap en de geestlevende ademstroom die haar bezielt. Ze wijzen daarmee het lid van een dergelijke gemeenschap op de grond- en richtlijnen waarin het oerbeeld van de gemeenschap voor zijn ogen oplicht. Het lid van zo’n gemeenschap brengt deze richtsnoeren binnen zijn eigen wezens- en levensgestalte wanneer het zijn handelen en gedrag aan dit oerbeeld oriënteert. Hij kwetst en beschadigt echter zowel het geestelijke levenslichaam van de gemeenschap als het zijne, wanneer hij zich niet, alvorens te handelen, oproept tot het beschouwen van deze richtlijnen zoals ze door de dynamiek van de principes, meer nog dan door hun inhoud opgetekend zijn. Hij krenkt zichzelf en de gemeenschap des te meer, hoe minder hij zijn handelen en gedrag aan een dergelijk beschouwen toetst.
     
Wie echter bereid is zijn denken door het willen aan te vuren en zijn willen met het denken te verlichten, zal ervaren dat de principes zich, net als de mantra's, tot een meditatie voor het handelen kunnen ontwikkelen. Door zo’n meditatie maakt men zichzelf spiritueel tot klassenlid. Ze is de verheffing en verdieping van het kenproces dat zich reeds bij het waarachtige toetreden tot de Antroposofische Vereniging voltrekt.
     
Deze meditatie kan van algemeen belang zijn voor elke handeling en elke handelende. Ze verkrijgt echter haar hoogste en meest verplichtende waarde wanneer een handeling in dienst van de Antroposofische Vereniging in de zin van de geestelijke adem van de antroposofische beweging dient te staan, wanneer van deze handeling in het ontstaansgebied van een nieuwe mysteriecultuur dient te gebeuren. De principes kunnen door een ieder die voor een beslissing staat als een meditatie tot zelfonderzoek begrepen worden in zoverre hij in verantwoording voor het levende wezen van de antroposofie werken wil, aan de bouw van een nieuwe mysterieplaats wil meewerken, en bereid wil zijn te strijden voor haar bescherming tegenover haar vijanden.[2]

7

Deze verhandeling diende in het kort te verduidelijken hoe Rudolf Steiner in de principes de vastheid van het door hem geschapen grondbouwwerk met de beweeglijkheid van het meditatieve leven verenigd heeft, het realisme van de richtlijnen met de verte van het doel van de oefening. Hij heeft daarmee in plaats van het vastleggen, wat voor een levende gemeenschap misplaatst zou zijn, de soepelheid van het zich in de beproeving steeds zelf verlevendigende geestelijke leven gezet. Hij heeft daarmee tegelijkertijd de door hem opgerichte gemeenschapsbouw verzekerd tegen het wankelen van de grondpijlers van het exoterische en het esoterische die het in gelijke mate dragen. Hij heeft het naar buiten gerichte oor een makkelijk vatbaar en tegelijkertijd omvattend antwoord gegeven op welke wijze een waarachtig moderne gemeenschap zich binnen de haar omringende wereld duurzaamheid kan verschaffen. Hij heeft in eenheid daarmee het naar binnen luisterend oor toegefluisterd dat de geestesgestalte van deze bouw slechts in het ongeschreven woord zou kunnen gronden dat zich met het leven der harten, die het in zich liefdevol verzorgen, voortdurend moge ontwikkelen. Hij heeft het meesterwerk tot stand gebracht om uit het innerlijke en uiterlijke woord een eenheid te smeden. Hij heeft in de beschrijving van de levensgrondslag van de gemeenschap het pad der kennis, zoals het in de zin van de “klassen” beschreven wordt, verhuld weergegeven en het als zodanig verborgen geheim in de feitelijke inhoud van de principes openbaar gemaakt. Wie zijn blik op deze inhoud richt, krijgt vaste grond onder de voeten. Wie de opeenvolging van de inhoudelijk omschreven aanduidingen voor zijn geestesoog de revue laat passeren, beweegt zich naar een doel toe. Wie de paragrafen met ook maar enige aandacht leest, ontvangt een vrijlatende aansporing voor zijn meditatief leven. Wie weldenkend overziet en denkend in daad omzet hoe zich grondlegging en doelstelling in hem verenigen, zal de behulpzame meester van dit kunstwerk dankbaar bewonderen.
     
Pherekydes, de grondlegger van de Griekse filosofie, heeft de geestlevende aarde in het beeld van een gevleugelde eik geschouwd. Want de aarde wortelt als geestlevend wezen in de hemelse wereld en ontplooit haar takken, bladeren en vruchten in de zintuiglijke wereld. Het vleugelpaar dat uit haar stam groeit en haar in een vrij zweven draagt, is de vereniging van het aardse en het hemelse, van het openbare en het geheime.
     
De principes kunnen zich voor de meditant in het beeld van een gevleugelde eik voor ogen stellen. In de drieledigheid van hun opbouw, die echter tegelijkertijd een levend ademweefsel is, schilderen ze hoe een vrije gemeenschap in het hemelse wortelen kan en in het aardse vrucht kan dragen. Hun dragende stam, die door zijn levens- en ademstroom het hemelse met het aardse verbindt, is de vereniging van het esoterische en het exoterische die het midden van haar geestesgestalte vormt. Deze middenvormende stam is bevleugeld door het klapwieken van de vrijheid waarin zich het esoterische en het exoterische treffen, verenigen en elkaar afwisselen.


Opmerking achteraf

De verhandeling over de principes trok sterk de aandacht, het heeft instemming, maar ook bezwaren en misverstanden teweeggebracht. Uit beide soorten reacties blijkt de betekenis die een ieder met inzicht zal toekennen aan het onderwerp van deze schetsmatige uiteenzetting. De principes zijn immers een bijzonder duidelijke uitdrukking van hetgeen door de Kerstbijeenkomst gebeurde, de grondsteenlegging die Rudolf Steiner aan de harten der leden toevertrouwde. De Kerstbijeenkomst is de opdracht van de vereniging van spirituele beweging en openbare Vereniging in het offer dat Rudolf Steiner bracht in vertrouwen op het zich eigen maken van de leden. Ze is daarmee de gegrondveste vóórtdurende opgave die elk lid van de Algemene Antroposofische Vereniging zich uit vrije beslissing eigen kan maken. Deze opgave wendt zich tot elk naar vrijheid strevend lid om de Antroposofische Vereniging dáárdoor levende inhoud te geven dat zijn kennen en handelen verheven wordt tot een zoeken naar de eenheid van het esoterische en het exoterische. Overal waar dit eenheidstreven verwaarloosd wordt, ontbreekt het aan het bewustzijn van de archetypische eenheid van beweging en Vereniging en het zich moeite getroosten aan de nimmer voltooide opgave, de toenadering van afbeelding en oerbeeld, mee te werken.
     
De verhandeling in kwestie trachtte naar voren te brengen dat, in nog belangrijker mate dan het intellectuele begrijpen van hun uitdrukkingskracht, zich deze gehalte van de principes aan de psychische beweging prijsgeeft die door het voelend en willend beleven ervan teweeggebracht zou kunnen worden. Daarentegen meende men het bezwaar te moeten maken dat een dergelijke opvatting van de principes een deze niet passende, te hoge waardering opdringt. Men zou zich erover kunnen verwonderen dat hier aandacht geschonken wordt aan een tegenwerping die maar al te duidelijk onderkent dat de principes een uiting zijn van de heroprichting van de Antroposofische Vereniging en daarom teruggaan tot de gebeurtenis van de vereniging van het geestelijke en het aardse. Naar een weg om de openbaring van dit geheim in de principes te vinden, wilde de daaraan gewijde verhandeling wijzen. De genoemde tegenwerping wint echter meteen aan betekenis, zodra men de daaraan ten grondslag liggende oorzaak zoekt. Vindt men deze oorzaak dan ontdekt men namelijk dezelfde fout waaraan hij uitdrukking geeft ook in zichzelf, ook al dient hij zich op andere wijze in het eigen wezen aan. En om deze eigen tekortkoming in het licht van de zelfkennis te zetten, is de zin die deze schijnbare zinledige tegenwerping in zich bergt, zonder uiteraard zich daarvan bewust te zijn. Wanneer men zich namelijk afvraagt wat we moeten doen om ons op de betrouwbaarste wijze te behoeden voor het over het hoofd zien en onderschatten van hetgeen belangrijk is, dan komt men uit op de oefening van innerlijke rust die Rudolf Steiner, de steeds behulpzame, aanbeveelt. Wie begint zulke toestanden van innerlijke rust in zijn bezinnend beleven te ontwikkelen, ervaart als eerste resultaat van dergelijke pogingen het scherper worden van zijn blik in het onderscheiden van het wezenlijke en het onwezenlijke, terwijl hij voor het overige de dingen die vorm laat behouden waarin zij zich voor zijn vertrouwde zienswijze voordoen. Al gauw ontwikkelt zich echter uit deze ervaring de opheldering van het bijgeloof dat er in een geestgegronde wereld überhaupt iets onbeduidends zou kunnen zijn. De rangschikking van het wezenlijke en het onwezenlijke is steeds een kwestie van perspectief, van een bepaald gezichtspunt en het vooreerst onwezenlijke wacht steeds op het ontsluiten van zijn wezenlijke gehalte onder een ander gezichtspunt. Vergelijkenderwijs is daarom altijd slechts de zienswijze onbeduidend die ook in het vooreerst onaanzienlijke het beduidende niet weet te zien. Bij een kunstwerk zoals de principes zou er eerder sprake kunnen zijn van een overdadige inwerking op de esthetische zin die direct aanspreekt, dan een beperkende beoordeling die zich ervoor afsluit dat ze sterker nog dan door hun inhoud, door hun vorm, en nog sterker, door hun innerlijk teweeggebrachte beweging tot ons spreken.
     
Een ander, geheel begrijpelijk bezwaar betreft een opmerking in de voorafgaande verhandeling die het beleven van de principes met het beleven van de klassen vergelijkt. Zeker kan men de aanmaning om de eerbiedige terughouding niet te vergeten en te kwetsen alleen maar bijvallen, wanneer men uitspraken over dit gebied doet. In de verhandeling over de principes werd echter getracht weer te geven dat weliswaar niet de direct vatbare inhoud van de principes, maar wél echter de ziele-geesteslijke beweging die door hun beleven gestimuleerd kan worden in het bereik van de klassen voert. Het daarmee aangesproken beleven is immers dat van het ziele-geestelijke midden, dat de aldus belevende in het opzien naar zijn hogere wezen gewaar wordt, wanneer zijn bewustzijn zich in de levende pendelslag tussen het esoterische en het exoterische beweegt. In deze bewustzijnshouding leven kwalitatief (zij het ook vooreerst nog niet in het ontwikkelende kennen) de drie hogere kenvermogens van imaginatie, inspiratie en intuïtie, tot de ontplooiing waarvan de inhouden van de klassen leiden, of beter gezegd, hadden moeten leiden.
     
Een bijzonder merkaardige tegenwerping, waarop reeds in een noot bij de bewuste verhandeling vooruitgelopen werd maar die telkens weer opduikt, betreft in deze beschrijving de aansluiting aan de genummerde opeenvolging van de paragrafen van de principes. Deze aansluiting lag vanwege de opbouw van de principes voor de hand, hoewel te voorzien was dat de blik van menig lezer aan de getallen zou blijven hangen, in plaats van zich te richten op de feiten waarnaar de getallen verwijzen en waarnaar ook in een andere vorm verwezen had kunnen worden. Een dergelijk misverstand is met het andere vergelijkbaar, dat de getallen die op stenen en borden bepaalde lengten in kilometers uitdrukken, als gegevens van zelfstandige betekenis zou opvatten, en niet voornamelijk als aanduidingen van afstanden en hun onderlinge verhoudingen alsmede hun verhouding tot de eigen beweging.  Zo ook diende de aansluiting aan de paragrafengetallen van de principes de lezer een aanzet te geven, die hem zou kunnen dienen tot oriëntering van de eigen ziele-geestelijke beweging binnen de spirituele grootte- en vormverhoudingen, die door de principes omvat worden. Tegelijkertijd diende daardoor de innerlijke relatie verduidelijkt te worden waarin de afzonderlijke elementen van de principes tot elkaar staan, alsmede de dynamiek die hun opeenvolging tot een voortgaand en tegelijkertijd in het ritme van de pendelslag rustend gebeuren maakt.
     
Toch zouden de naar voren gebrachte en andere tegenwerpingen niet voldoende reden zijn voor het schrijven van deze ”Opmerking achteraf”, indien ze niet zouden  aanleiden om zich tot een vraag te wenden, van welks beantwoording belangrijke inzichten over onze verhouding tot het werk van Rudolf Steiner afhangen. Bij deze vraag gaat het erom of, vereenvoudigend gesproken, in het werk van Rudolf Steiner de nadruk op het wat, de inhoud of veeleer een minstens gelijk, zo niet groter gewicht op het hoe, de vorm moet worden gelegd. Nu behoort het tot het wezen van de verstands- of gemoedsziel dat ze hetgeen inhoudelijk begrepen is in haar dienst wil stellen (zie Rudolf Steiners Theosofie), dus vanuit de inhouden het eigen voelen en willen in beweging brengt, en dat ze op die manier in het eigen innerlijke of in het omgevende uiterlijke de veranderingen tracht te bewerkstelligen die in haar bedoelingen liggen. Daar het haar om een dergelijk indienststelling gaat, vervalt ze gemakkelijk tot het zelfbedrog, bijzonder intensief in de zielengebieden van het voelen en willen te leven, terwijl deze in werkelijkheid slechts indirect door een intellectueel opvatten geprikkeld worden dat het uitgangspunt van de voorgenomen bedoelingen vormt en dat overigens in de uitvoering ervan meestal vergeten wordt. De bewustzijnsziel daarentegen raakt op de weg naar het geestzelf het eeuwige, ware en goede (zie Rudolf Steiners Theosofie). Bij een dergelijk aanraken moeten de eigen bedoelingen overschreden en teruggelaten worden, en moet er bovendien van afgezien worden het denken in hun dienst te stellen. De eigen ziele-geestelijke bewegingstoestand moet dus in die andere gemetamorfoseerd worden, waarin zich de werkelijke geestelijke wereld uitdrukking verschaft. In zo’n gemoedstoestand wordt de ontvankelijke geest door elk echt kunstwerk gebracht. Zijn materiële of inhoudelijke verschijningsvorm is tegenover de impuls van zo’n beleven van onderschikt, zij het ook van onontbeerlijk bemiddelend belang. Deze esthetische omgang met het werk van Rudolf Steiner (en de onopzettelijk vertrouwende meditatieve omgang daarmee is geen andere) is natuurlijk voor de tot informatiegebondenheid en -verslaafdheid gekweekte bewustzijnshouding van onze tijd ver weg en vreemd. De huidige mensheid zal echter pas dán de weg uit de verwarring waarin ze zichzelf verstrikt heeft vinden, wanneer ze inziet dat niet de dienst aan nog zo lofwaardige doeleinden haar eigenlijke opgave is, maar dat het veeleer haar opdracht, hoop en heil is om door middel van deze dienst de zingevende vermogens te verwerven die haar in staat stelt haar geestelijk wezen tot de enige menswaardige en wereldterechte zin te verheffen. Dit is echter de esthetische bewustzijnshouding die niet in het waarvoor, maar in het in-zichzelf-rustende vervulling vindt.
     
Door het voorbeeld van de principes werd getracht aan te tonen dat men, wat zeker niet zonder betekenis is, zich weliswaar hun inhoud met het vermogen van de verstands- of gemoedsziel eigen kan maken en ze misschien ook, wat zeker niet zonder bedenken is, in dienst van de eigen bedoelingen kan stellen. De voornaamste bedoeling van de verhandeling over de principes was daarentegen welke ervaringen men kan verwerven, wanneer men de principes met het vermogen van de bewustzijnsziel tracht te beleven doordat men, de eigen opvattingen en bedoelingen achter zich latend, zich met de bewegingsvormen doordringt die, oorspronkelijker dan hun inhouden, aan de opeenvolging van de paragrafen als geestelijke vormingskrachten ten grondslag liggen. Op deze manier van spiritueel doorgronden worden de principes tot een kunstwerk; hen te bevatten wordt een kunstzinnige ervaring en deze een meditatie.
     
De verhandeling over de principes wilde naast de inhoud ook met het oog op de toekomst stelling nemen ten aanzien van de stijlkwestie, namelijk op welke wijze het bestuderen van het werk van Rudolf Steiner mogelijk is. Aan deze kwestie diende niet op theoretische wijze, maar door de ontwikkeling van een voorbeeld een bijdrage geleverd te worden.
            
De methode van de verhandeling over de principes zou daarom ook voor die lezers een aanzet kunnen geven, welke menen zich van haar inhoud te moeten distantiëren. Men moge de herhaling toestaan dat het bij de toepassing van deze methode gaat om de beslissing tegenover de kwestie, of men slechts intellectueel beoordelend en in de zin van bepaalde bedoelingen nuttigheid zoekend zich tot de geestesgaven wil wenden die wij aan Rudolf Steiner te danken hebben, of dat men, van beoordeling en het profiteren vooreerst afstand nemend, de poging zou willen doen om in de innerlijke bewegingservaring in overeenstemming te komen met de vormgevende krachten waaraan het werk van Rudolf Steiner ontspringt. Gebeurt dit, dan wordt de vraag of een inhoud deze of gene dan wel een grotere of geringere betekenis zou hebben overbodig en treedt de ijver van intellectuele beoordeling en het doelmatige benutten terug achter het zwijgen dat niet zichzelf maar de stem van de geest wil vernemen.

Rudolf Steiner heeft het onjuiste van elke van buiten af gerichte kritiek op een hoe dan ook geaard betoog direct door zijn eigen veelvuldig voorbeeld aangetoond. De door hem aanbevolen en gebezigde “immanente kritiek” legt geen uiterlijke criteria aan het te beoordelen werk voor, d.w.z. aan de opgave die dit werk zich bewust of onbewust zelf stelt. De vraag van een dergelijk opbouwende kritiek kan daarom alleen zijn, of en in hoeverre een prestatie recht doet aan haar eigen innerlijke doelstelling.
            
In de geest van een dergelijke “immanente kritiek” zou dus ten aanzien van de verhandeling over de principes de vruchtbare vraag kunnen worden gesteld, of en in hoeverre het recht doet aan haar eigen doelstelling om boven een verstands- en gemoedszielsopvatting van een werk van Rudolf Steiner uit te gaan en dit werk met een bewustzijnszielsmatige opvatting tegemoet te treden. Daarmee zou een discussie over de voor het leven van de Antroposofische Vereniging fundamentele kwestie geopend en het niveau van beter- en slechter weten en van insinuaties verlaten kunnen worden. Want niet om zulke dingen gaat het wanneer wij het leven van de Antroposofische Vereniging voor ogen hebben, maar hoe wij een moderne toegang tot het werk van Rudolf Steiner vinden, om de vraag dus of wij slechts over de inhoud van dit werk spreken en het in dienst van onze bedoelingen stellen, dan wel in deze inhouden leven en ons daardoor een nieuwe ontplooiings- en bewegingswijze van ons gevoels- en wilsleven willen verwerven, die het ons mogelijk maakt vanuit deze inhouden te spreken. Het gaat hierbij om hetzelfde probleem dat men ook bij de onderscheiding van uiterlijke en “immanente kritiek” tegenkomt.



[1] Toen jaren geleden schrijver dezes in een korte samenvatting op de hier uitvoeriger ontwikkelde getallenwetmatigheid van de paragrafen en hun betekenis wees, werd door een toehoorder tegengeworpen, dat een dergelijk “nominalisme” niet in overeenstemming met het wezen van de anthroposofie zou zijn. Met deze tegenwerping werd precies geraakt wat niet in de bedoeling van de schrijver ligt. Het gaat hem er niet om een uiterlijk vatbare regelmaat aan te tonen, maar (zoals in wat volgt wordt getracht duidelijk te maken) hoe deze regelmaat uitdrukking geeft aan een innerlijke beweging, bij het meevoltrekken de uitvoerende reeds de meditatieve zielehouding aanneemt en de meditatieve zielstemming beleeft.
[2] Met de ontdekking van de drieledig-dynamische grondvorm van de “principes” verbinden zich nog talrijke andere inzichten in hun zindragende bouw en hun vormgevende zin. Hierop in te gaan ligt buiten de bedoeling van deze verwijzing, die de aandacht op de grondvorm richten wilde.


* * *


IX


Een weg naar het geestelijke Goetheanum


Terug te kijken naar de principes die Rudolf Steiner wijdde aan de kennisgemeenschap, die hij zijn dragende geesteskracht heeft geschonken als een van de grondslagen van haar heroprichting, daar is juist gezien het heden alle aanleiding toe.[1] Wat op een van haar gevaarlijkste crisismomenten aanvankelijk aan een engere kring van de opnieuw te vestigen gemeenschap als reddende daad werd toevertrouwd, openbaart zijn volledige betekenis pas in de crisissituatie waarin tegenwoordig de mensheid verkeert. Het bergt immers de kiem van de redding uit het grootste noodlot.
            
Nog duidelijker dan destijds stellen zich deze ‘principes’ voor de ogen van de begrijpende waarnemer als de waarachtigste “oorsprongen”, geloofkrachtig, liefdevol en hoop bevleugend in de meest edele zin, - oorsprongen niet alleen van het herbegin van het grootste, doch allerminst voltooide werk van Rudolf Steiner, van een gemeenschap, waarvan de aaneensluiting voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis alle dwangmatig verengende verplichting uitsluit en alleen door kennis verlicht vertrouwen bevestigd wordt, - maar ook oorsprongen van een nieuw beschavingsprincipe dat geldig is voor de gehele, een beslissend tijdperk in haar ontwikkeling binnentredende mensheid. Dit principe is de openbaarheid van het initiatieprincipe alsmede de bekendmaking van de methoden en inhouden daarvan.
            
Onder initiatie of inwijding verstaat men de door scholing bereikte ontwikkeling van krachten en vaardigheden die in elke ziel sluimeren. Van het voorhanden zijn van deze krachten kan zich ieder mens overtuigen die zijn denken zielsmatig observeert en daarbij niet alleen (zoals dat normaal het geval is) bewust wordt van de resultaten van zijn denken (de begrippen), maar ook van het denkproces. Door het gade slaan van dit proces wordt men het hoogst beduidende gewaar, dat wij bij het begrijpen van ideële inhouden ons met een onmetelijk, zichzelf dragend geestelijk rijk verenigen. Hierdoor maken wij enerzijds ons eigen geestelijk, niet aan onze lichamelijke organisatie gebonden wezen eigen. Wij voegen daardoor anderzijds de individuele inslag die zich door het ontstaan van ons individueel bewustzijn onder de werkzaamheid van een zich afzonderende lichaamsorganisatie ontwikkelt, aan de geestelijke wereld toe. Uit de tot meditatief herhaalde, oefenende wilsinspanning verheven bezigheid van dit observerend ten uitvoer brengen resulteert een scholingsweg die het geestelijke wezen van de wereld met het geestelijke wezen van de mens verenigt, de geestelijke mens met de geestelijke wereld. Daarmee is het begrip initiatie in zijn beide strekkingen op een manier gekarakteriseerd die overeenkomt met de huidige bewustzijnssituatie van de mensheid. De aangeduide zelfbepaling leidt tot de opwekking van het “hogere” Ik van de mens, d.w.z. tot  de vaardigheid om het steeds onbewuste mede uitoefenen van de geestelijke vormgevingsvermogens in alle dingen en wezens, waarop wij bij het normale gewaarworden ervan niet letten, bewust te maken. Dit gebeurt met een bijzonder duidelijke werking, wanneer de psychische observatie volgens de methode der natuurwetenschap op het kenproces op de kennisweg toegepast wordt, die Rudolf Steiner in zijn Filosofie van de vrijheid heeft geschilderd. Daardoor krijgt men inzicht in de geestelijke samenhang van de werkelijkheid, zoals de niet-ingewijde deze pas na de dood ervaart, dus een werkelijkheidsbewustzijn zonder medewerking van de organen van het fysieke lichaam.
            
De initiatie verschafte in oudere tijden bepaalde bewustzijnsinhouden die direct door hun grote representanten, indirect door hun leerlingen en nog indirecter door de geleidelijke ontwikkeling van een overeenkomstig de specifieke aard van het tijdperk bepalend algemeen bewustzijn, de openbare opinie doordrenkend, in het sociale en culturele leven overgingen. Daar de initiatie echter niet alleen bewustzijnsinhouden verschaft, maar ook bewustzijnsverandering veroorzaakt, verandert deze zelf haar uitgangspunt in de menselijke ziel en daarmee de processen die tot de introductie en verdere ontwikkeling ervan leiden in het verloop van de cultuurhistorische geschiedenis. De inwijdingsoorden waren in alle tijdperken de scholingscentra waar de sociale en culturele vormgevingsimpulsen van uitgingen. Ze waren als middelpunten van de bewustzijnsverandering tegelijk de charismatische drijfveren van cultuur voortgang. Ze bleven in oudere culturen geheim, streng gescheiden van het algemeen bewustzijn. Want hoewel de inwijdingsinhouden ook de essentie van de culturen en de onderbewust werkzame richtkracht van hun beschavingen waren, moesten ze destijds, net als de scholingsmiddelen die bij de initiatie gebruikt werden, van de directe toegang tot het algemene bewustzijn verstoken blijven. De adept kon destijds (om redenen die hier niet besproken kunnen worden) niet in autonome scholing de kennisweg betreden. Hij behoefde veeleer de autoritaire instructie van de verder ontwikkelde leraar.
            
Vandaag de dag daarentegen is de vroeger noodzakelijke geheimhouding van de initiatie-ervaringen en de ziele-geestelijke middelen die tot initiatie leiden, niet meer eigentijds. Want in onze tijd kan zich (zoals hier reeds aangeduid) ieder mens van het fundamentele initiatieproces door psychische observatie van de eigen denkakte overtuigen. Deze toegangsmogelijkheid werd reeds door de stichting van het Christendom aangelegd, zoals  dit tot uitdrukking komt in de nieuwtestamentarische uitspraak “De waarheid zul jullie vrij maken” (Johannes, 8: 32). Doch behoefde de baanbrekende nieuwe bewustzijnsimpuls nog een periode van metamorfose in de gemoedelijke geborgenheid der zielen, alvorens deze zich in een volledig openbare initiatievorm op een volwassen wijze kon uitdrukken. Dit cultuurscheppend bewustzijnsgebeuren krijgt zijn sociaal en civilisatorisch werkzame verschijningsvorm in publicatie van de inwijdingsinhouden en van de scholingsweg waarop deze verkregen kunnen worden door de geesteswetenschap van Rudolf Steiner. Een voorlopig hoogtepunt van deze ontwikkeling is de heroprichting van de algemene Antroposofische Vereniging  door Rudolf Steiner op de Kerstbijeenkomst tijdens de jaarwisseling van 1923/24. De in dit geschrift samengevoegde overwegingen dienen dit met het oog op de principes te verduidelijken.
            
Wil men de volledige betekenis van het bekendmakingproces begrijpen, dan is het nodig dit proces tegenover daarmee uiteraard slechts schijnbaar verwante zaken af te grenzen. Immers, er zijn ook reeds vroeger inhouden van een ver terug liggende traditie over de geestelijke oorsprong van de wereld en de mensheid en van diens voortdurende goddelijk-geestelijke leiding bekend geworden. Ook de religieuze oorkonden van de grote culturen en de nationale mythescheppingen zijn de aan het specifieke bewustzijnsniveau aangepaste getuigenissen van zulke boodschappen aan de openbaarheid, die hun geheim echter in hun beeldhulzen verbergen. En ook eerbiedige alsmede vaak bedenkelijke bewegwijzeringen welke, de beeldsluier liftend, toegang tot het vroeger waakzaam behoede beloven, zijn naast de gelijktijdige geheimhouding en bedriegende geheimenisonthulling van de bewaarde kennis en procedure telkens weer bekend geworden. Juist nu is er geen gebrek aan literatuur, zeer verschillend in rang en bedoeling, die vroeger geheim gehouden inhouden vrijgeeft dan wel deze vrijgevigheid slechts voortovert. Ook aanbevelingen van allerhande praktijken zijn bekend, welke doen alsof ze wegen of sluipwegen naar kennis aanwijzen, die voor het huidige normale inzichtvermogen verborgen blijven. En ook de groepsvorming via zulke gedragcodes en kennisoverdracht, waarover degenen die in de beinvloedingstechniek ervaren zijn beschikken (zeer vaak zonder de oorsprong en werkzaamheid van hun eigen overnames in hun ware betekenis te kunnen beoordelen), vindt steeds meer plaats. Derhalve is het nuttig om op het onderscheid te wijzen tussen dit soort strevingen en de geesteswetenschap van Rudolf Steiner en haar sociaalvormgevende kracht, - hoewel dit verschil pas door de nadere kennismaking met zijn werk volledig duidelijk kan worden.
            
Wat de genoemde methoden en resultaten daarvan aangaat, zij in het belang van de noodzakelijke afbakening hier het volgende vastgesteld: de door Rudolf Steiner ontwikkelde weg van de ziele-geestelijke scholing onderbreken of verminderen de zelfstandige wakkerheid en zelfcontrole van het huidige soort bewustzijn in generlei wijze. Derhalve worden alle door de beïnvloeding van fysiologische processen (zoals het ademhalen) of in de zin van autosuggestie werkende maatregelen uit het werkveld van de moderne geesteswetenschappelijke scholing uitgesloten. Dit soort maatregelen ontwikkelen immers hun invloeden op een aan de zelfcontrole onttrokken manier; bovendien is de samenhang tussen instructie en werking voor degenen die voor een degelijke autoriteit buigen onbegrijpelijk. Ver weg van alle bewustzijnsdemping, leiden de moderne geesteswetenschappelijk methoden veeleer tot een intensivering van de door de huidige natuurwetenschap aangevoerde bewustzijnshelderheid. De algemene karakteristiek van alle door geesteswetenschappelijke scholing bereikbare bewustzijnsinhouden en van de, om deze te verkrijgen, ontwikkelde bewustzijnsgedragingen is de versterking van dat ziele-geestelijke gebied van de huidige mens dat door grootste klaarheid en duidelijkheid (helderheid) gekenmerkt is. Het is de schouwplaats waarop het door voortdurende zelfobservatie gecontroleerde denken zich ontwikkelt, - een denken dus, dat niet, zonder de gewaarwording van zijn productieve opeenvolging van stappen, zijn producten (begrippen) door (reeds voorhanden) groepen- en beroepspecifieke voorstellingscomplexen, handelingsaflopen en gedragcodes laat opzuigen. Het inzichtelijk resultaat van de zelfcontrole van het denkproces is de identiteit van waarneming en begrip, van het begrijpen en begrepen worden in de gewaarwording van de denkinhouden. Dit kenmerk van echte geesteservaring heeft een uiterst beslissende dubbele betekenis. Het verschaft degenen die de geesteswetenschappelijke scholingsweg betreden enerzijds de hen leidende innerlijke basisoriëntatie, het behoedt hen tevens voor verwisselingen en miskenningen, wanneer bewustzijnsinhouden van buiten op hen afkomen die aan een ander bewustzijnssoort ontsproten zijn. Het waarschuwt hen te meer, wanneer ze zelf voor het gevaar staan in zulke afwijkende bewustzijnshoudingen te vervallen, alsmede ook wanneer hen maatregelen aangediend worden welke het bewustzijn onder het niveau van de ideële zelfcontrole omlaag dringen. Daar het aangewezen onderscheidingskenmerk voor het zelfbegrip en voor het begrip van de ander (voor het in de eigen ervaring optredende alsook datgene wat hierin aangedragen wordt) van beslissende betekenis is en alleen onder zijn begeleiding een moderne scholingsweg betreden kan worden, zij naar de hiervoor competente hoofdplaats in het werk van Rudolf Steiner (naast talrijke soortgelijke[2]) verwezen. Die is te vinden in het derde deel van De Filosofie van de Vrijheid, “De laatste vragen. De consequenties van het monisme”, Aanvulling op de heruitgave van 1918: “Hoewel ook enerzijds het intuïtief beleefde denken een in de mensengeest zich afspelend actief proces is, en het een zelfbezigheid is die tegelijk wordt waargenomen, is het anderzijds tegelijk een geestelijk, zonder zintuiglijke orgaan vervatte waarneming. Het is een waarneming waarin de waarnemer zelf bezig is, en het is een zelfbezigheid die tegelijk waargenomen wordt. In het intuïtief beleefde denken is de mens in een geestelijke wereld ook als waarnemer geplaatst. Wat hem binnen deze wereld als waarneming zo tegemoet treedt als de geestelijke wereld van zijn eigen denken, dat erkent de mens als geestelijke waarnemingswereld.”
            
Deze uitspraak, waarvan de juistheid zich ieder huidige mens door eigen psychische observatie kan overtuigen, is van onschatbare waarde. Zij alleen verleent de onmiskenbare onderscheidingszekerheid die echte geestelijke ervaringen van suggesties, hallucinaties, illusies en fantasma’s scheidt. Ze bepaalt echter ook de afstand tussen echte geestelijke ervaring en het huidige objectbewustzijn. Geestelijke ervaring staat met de naar zichzelf toegewende (observerende en denkende) activiteit tegenover de haar vanuit een andere oorsprong tegemoetkomende, zich van haar onderscheidende waarneembare inhouden. In het zichzelf begrijpende, denkende en überhaupt geestelijke ervaren wordt daarentegen al het waarneembaar-inhoudelijke binnen de eigen bezigheid, als het voortgebrachte daarvan en tegelijk als een op het voortbrengen overgaande zelfbepaling van het voortgebrachte vervat. Niemand die zich niet deze wezensaard van het geestelijke door psychische observatie van de eigen denkverrichting (niet alleen als wetensinhoud) eigen heeft gemaakt, kan met een zeker oordeel de wezensaard (of ook het toebehoren tot een ander gebied) van zulke inhouden bepalen die met de aanspraak geestelijk te zijn zich bij hem aandienen dan wel in zijn eigen bewustzijn opduiken. Derhalve zijn ook de beeldende verschijningsvormen van de zogenaamde imaginatieve fase van het geestelijke schouwen, welke aan de zintuiglijke (visuele, akoestische etc.) kwaliteiten verwant zijn, niet overnames van een andersoortig gebied in het eigen gebied van het bewustzijn. Ze zijn veeleer innerlijke bepalingen van eigen verrichtingen.[3] Ook deze beeldende (waarnemingsachtige) inhouden van het geestelijke schouwen zijn dus ook eigen verrichtingen van de schouwende, doch (geheel zoals dat bij de denkverrichtingen het geval is) in het verrichten van ervaren zelfbepalingen van deze inhouden.  Niemand die niet door eigen psychische observatie (eerst bij het denkverrichten aanzettend) opheldering heeft verschaft over de hoedanigheid van de geestelijke bewustzijnsaard, die voor elke van de verschillende vormen ervan geldig is, zal mededelingen over resultaten van geestelijk schouwen kunnen verstaan. Dat de aangegeven bewustzijnskarakteristiek ook voor de beeldnatuur van imaginatieve ervaringen geldt, zal men dan zonder bevreemden begrijpen, wanneer men zich erop bezint dat ook de zintuiglijk overgedragen concreetheid alle kenbare inhoud pas door het instromen van ideële vormgevingsvermogens krijgt.
            
Een uitdaging maar ook een aanmoediging van ons probleembewustzijn is in deze context de tegenstelling tussen het receptieve objectbewustzijn en het productieve geestesbewustzijn bij de gelijktijdige bewustzijnshistorische voorwaardelijkheid daarvan door het eerstgenoemde. Doch zal men ook wat dit betreft, makkelijk begrip daarvoor kunnen vinden, indien men inziet dat ons normaal objectbewustzijn alleen door de (uiteraard vooreerst onderbewuste) overwinning van het werkelijkheidsverlies ontstaat, dat onze in een zenuw-zintuigstelsel ingrijpende (lichamelijke) organisatie veroorzaakt. De zuivere waarnemingen die onze zintuigen ons verschaffen zijn immers volledig samenhangloos en daarmee werkelijkheids- en geestloos. Derhalve staan we daaromtrent voor een opgave die de eigenaardige dubbele betekenis blijkt te hebben,  met betrekking tot de fysiologische voorwaarden daarvan noodzaak te zijn, en met betrekking tot de overwinning daarop door spirituele activiteit vrijheid. Want de wedervergeestelijkte completering van de ontwerkelijkte waarnemingsbestanddelen door de uit innerlijke activiteit geputte ideële bindmiddelen daarvan wordt dan tot een vrije prestatie, wanneer we het normaliter instinctief verrichte in de observerende zelfcontrole van de vorm van het gebeuren daarvan tot een bewust volbrengen verheffen. Juist ons zelfbegrip in de overwinning op de fysiologische ontwerkelijking verleent ons de vaardigheid om met de inhouden van onze ideële zelfverwerkelijking naar de vergeestelijkte-verwerkelijkte realiteit terug te keren.  Pas daardoor echter verwerven we de vaardigheid om in zichzelf bepaalde inhouden niet als onredelijke eisen aan onze, hen tegemoet komende, gedragingen te vatten, maar als innerlijke voorvallen van een autonoom, zelfbewerkstelligd gebeuren. Alleen deze in het observeren van de eigen kennisakte verworven kwaliteitsbepaling van het geestelijke schouwen schept het begrip voor de geesteswetenschappelijke voorstellingen van Rudolf Steiner, scherpt het onderscheidingsvermogen voor de wezensaard daarvan tegenover andersoortige claims op vermeende weergave van “geestelijke” (bovenzinlijke) inhouden en biedt het eigen streven naar kennis onbedrieglijke zekerheid onderweg. Wie de weg naar het geestelijke Goetheanum wil vinden, zal verdwalen wanneer hij deze zekerheid ontbeert.
            
De moderne geesteswetenschappelijke kennisweg en zijn oefenende scholingsmaatregelen betekenen door hun beroep op de geestelijke wilskracht van de naar initiatie strevende adept het afleggen van bewustzijnsascetische rekenschap van de natuurwetenschappelijke kenniswijze ten aanzien van de aanspraak die deze zelf stelt. Deze wil immers alleen een procedure als wetenschappelijk erkennen welke plaats heeft onder steeds wakkere logische zelfcontrole tijdens het experimentele beproeven van de gedachte aan de zelfbepaling van het geobserveerde. De geesteswetenschappelijk scholingsmaatregelen zijn derhalve, in tegenstelling tot de uit het Oosten komende bewustzijnsveranderende exercitiën die een oplossen in het vormloze Zijn bedrijven en beloven, in geen enkele opzicht anti-individueel.  Ze willen niet tot een uitblussen in het niet-individuele leiden, dat immers juist in de depersonificatie een persoonlijk geluksbelang volgt, veeleer tot een verrijking van het individualiteitsgehalte van de wereld. Door de accentuering en vermeerdering van de bijdrage aan eenmaligheid welke de mens, niet als de afhankelijke ontvanger van gaven en invloeden, maar als de zelfstandige vervuller van een opgave,  naar de wereld toe kan brengen, wordt de mens het zinsgehalte gewaar dat hem met de wereld in een homogeen worden vereent.  Alleen in dit zicht begrijpt men de civilisatorische opgave welke de geesteswetenschap van Rudolf Steiner op zich neemt.  De inhoudelijke overdracht en het zich eigen maken van kennis is bij de zoektocht naar het werk van Rudolf Steiner, naar het geestelijke Goetheanum, niet het wezenlijke. Veeleer willen de overdrachtelijke inhouden vooral aansporingen zijn, opgaven voor een in zijn bewustzijnshouding natuurwetenschappelijk geaard kennisstreven, dat zijn aan de inhouden eerst nog te ontsluiten resultaat zich als eigen inzichtswinst eigen wil maken. Dit is doorgaans alleen te bereiken in de zin van de aangeduide oefengezindheid en haar slagvaardigheid. Wat door de geesteswetenschap aan deze innerlijke wilsbereidheid en niet aan de behoefte aan persoonlijke verrijking of toevlucht, wat aan de moedvatting tot individuele inspanning wordt aangeboden, heeft derhalve een sociaal vormgevend karakter in een aan de eisen des tijd uniek passende zin. Want de opgave waarvoor de huidige mensheid staat, is het doordringen van onze prestatiewereld met zinbegrip en zingeving als de eendrachtige schepping van vrije individualiteiten. Winst aan zingeving en het uitstralen van zin kunnen alleen door het intensiveren van onze werkelijkheidsvaardigheid, alleen in geïntensiveerde zelfheidsvaardigheid gecreëerd en gemaakt worden - alleen door een bewustzijnsaard welke de eenheid van de geestelijke wereld als de geestelijke unie der mensheid  vervat. Deze unie is een vrije, niet een  opgedrongene, maar een door individuele activiteit vormgegevene. Het geestelijke ervaren van het individueel voortbrengen van zelfbepalende, dus het individu overstijgende inhouden verschaft vrijheid en gemeenschap verenigende  zingeving.  Zo lang het de mensheid daaraan ontbreekt zal ze de steeds groter wordende problemen die haar teisteren niet kunnen oplossen. In de hier enigszins aangeduide zin is de door Rudolf Steiner nagestreefde openbaarheid van het initiatieprincipe (het kennende begrijpen van het geestelijke wezen van de wereld en mens binnen een moderne bewustzijnsgemeenschap) te onderscheiden en  af te grenzen van strevingen die geen recht doen aan de bewustzijnsaard en de voornaamste sociale eis van onze tijd.
            
Daar de schepping van de geestelijke grondslagen en de bewegwijzering naar de bewustzijnsvoorwaarden van een gemeenschap van vrije geesten de grootste daad van Rudolf Steiner en zijn edelste vertrouwensboodschap aan zijn leerlingen en de hele mensheid is, vormt de paragraaf die dit openbaar geheim uitspreekt (het is openbaar omdat het voor iedereen toegankelijk is, het is geheim omdat het niet overgenomen kan worden, maar alleen door een ieder verworven kan worden), het middelpunt van de principes.[4] Hier drukt zich hun meest naar binnen en tegelijk naar buiten gericht verlangen uit in een vertrouwen, dat elk waarachtig streven ter beschikking staat, maar dat slechts voor het kennisgeweten toegankelijk is. En derhalve openbaart niet, zoals men zou kunnen vermoeden, § 7[5] over “de inrichting van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap” door Rudolf Steiner de voornaamste inhoud van deze taakomschrijving. Weliswaar is de oprichting van een Vrije Hogeschool op de wijze zoals alleen Rudolf Steiner dat vermocht, de dragende impuls van de onuitputtende, doch slechts voor de individuele kenniswil ontsluitbare, voedingsbron van een nieuwe mensengemeenschap en sociale gestalte. Het wezen van deze stichtingsdaad is echter haar volledig moderne geest en het door geschapen cultuurcentrum. De actualiteit van deze geestesaard wordt door het kenmerken van de Hogeschool als een vrije benadrukt. Deze vrijheid geeft het fundamentele verschil aan tussen de nieuwe, culturele impulsatie en de oudere destijds onmiskenbaar krachtvolle cultuurcentra. Deze straalden als dragers van hiërarchische beroeping en missie autoritaire kracht, respect voor normen en waarden en onderbewust werkzame gezindheidsvorming in op de niet-ingewijden. Het nieuwe beschavingsprincipe ontstaat echter alleen door het vrije inzicht van de daaraan deelhebbenden en deelnemers als iets dat voor iedereen die daarvoor de bewustzijnsrijpheid heeft bereikt toegankelijk is.
            
Hiermee moet echter als iets onlosmakelijk wezenlijks het beschermingsmotief verbonden worden. En het is dit wat, gelet op datgene wat ons in de toekomst staat te wachten, ons meer dan al het andere moet bewegen. Daarom willen deze uiteenzettingen op de actuele betekenis van dit motief wijzen.[6] Het kompositionele ritme dat door de opeenvolging van de paragrafen van de principes trekt en de opbouw ervan bepaalt, waarop in de voorafgaande verhandeling werd gewezen, is de verbinding van het innerlijke met het uiterlijke, het exoterisch-openbare met het esoterisch-intieme, de verheffing van het initiatieprincipe tot beschavingsprincipe. Men probere in een door eigen observeren verlevendigd begrijpen te bevatten wat de uitspraak van Rudolf Steiner betekent dat de initiatie, dus het bewust betreden van de geestelijke wereld, een sociaal vormgevingsprincipe dient te worden, - men moge zich het ongelooflijke van deze uitspraak voorstellen en naar de voorwaarden vragen die deze omvat.
            
§ 8 van de principes, hun meest veelzeggend midden die de publicatie van de esoterische inhouden in het werk van Rudolf Steiner vaststelt, is, zoals het niet anders kan zijn, ook een beschermingsparagraaf die geenszins slechts een directe aanleiding betreft, maar veel verder reikt. Hij maakt geen terugwijkende concessie tegenover de verduistering van vroegere geheimhouding. Hij doet veeleer een cultuurhistorische stap naar voren. Hij is ook niet enkel en alleen juridische afscherming tegenover publicistische aantijgingen en literair vrijbuiterdom. Hij spreekt veeleer in de volste openbaarheid van een tegelijk meest geheimzinnige zaak, van de vorming van een etherisch-moederlijke beschermend omhulsel om een godsdienstig werk en om degenen die de verzorgers, ontvangers en vermenigvuldigers van dit werk zullen zijn.
            
De bescherming is niet alleen een juridische, hoewel deze ook van erkenning, van recht-vaardiging en afweer spreekt. Het is in een veel sterkere betekenis een bewustzijnsbescherming die de vorming van een gemeenschappelijk bewustzijn en het zuiver houden ervan betreft.  De nieuwe esoterie als initiatorisch beschavingsprincipe is immers geen beheerbare nalatenschap van gedrukte letters, maar de oprichting van het etherische Goetheanum uit de samenstromende bewustzijnskrachten van kennende mensen. Er is hier voor degene die het vernemen kunnen sprake van de opbouw van het geestlevende Goetheanum, van de afwerende trouw die zich tegen de storende en vernietigende inbreuk in zijn bewustzijnssubstantie, de verloochening van zijn bestaan (voor zoverre dit denkactief volbracht wordt) verzet, maar die ook daarbovenuit en ten hoogste zich de getrouwe vermeerdering van deze bescherming tot taak stelt. Deze is in alle openbaarheid een geheime, onzichtbare en onuitspreekbare, ze omhult het werk, zijn schepper en diens leerlingen, maar ook de andere ontvangers die ze tenminste tot op zekere hoogte tegen de zelfbeschadiging beschermen kan die deze zouden oplopen, wanneer ze dit werk in een ongelouterde zielehouding zouden willen benaderen.
            
De voorwaarden van de bescherming, waarover na te denken is, zijn het verenigende van de bewustzijnsgemeenschap (want met het afleggen van alle dwangvoorstellingen en –gezag jegens de ontmoetende vriend opent men de eigen zieleruimte voor het onschuldig-menselijke in hem), alsmede het element van trouw dat zich verzet tegen elke soort van verloochening van de oprichtingsmogelijkheid van iets esoterisch-exoterisch en dat elk politiek heulen met het kleinerende ontkennen afwijst, zolang deze vasthoudt aan zijn bijgeloof. Bij deze voorwaarden behoort verder het methodische, het betreden van de moderne bewustzijnsweg in de geestelijke wereld. Deze eigentijdse weg is het huidige, voor elke gezond volwassene mogelijke binnentreden in de geestelijke wereld door de psychische observatie van de werkelijkheidsopbouw in de kennisakte en van het zich in de kennisbelevenis in de uitzettingen van zijn gestalte indelende menswezen. Voor deze weg (methode is immers weg), voor het richtsnoer van het kennen zijn de resultaten die Rudolf Steiner door zijn voortschrijden op deze weg verkrijgt en ons meedeelt geen overneembare inhouden, maar aanmoedigende betrouwbaarheden die zich richten op het kennend observerende meevoltrekken van de verrijking die door hun aanschouwing ontstaat. Ter bescherming van de op te richten bewustzijnsgemeenschap, die zich om het etherische Goetheanum dient te scharen, behoort derhalve ook de waakzaamheid tegenover stijlvervreemdende invloeden en ingrepen in het bouwprincipe van de moderne initiatie.  Een van zo’n stijlvervreemdende ingreep is de binnen het domein van de huidige Antroposofische Vereniging nog steeds voortdurende en zich zelfs vernieuwende, oude dogmatische theosofie. Karakteristiek voor deze reactionaire zielehouding is de intellectualistische receptie en combinatie van niet in het eigen overzien verworven, maar overgenomen esoterische inhouden en de daaraan aansluitende sentimentaliteit. Op slechte zijsporen raakt men wanneer men aan op die wijze opgenomen inhouden ook nog concluderende speculaties aanknoopt. Het onbewust frivole van zulke receptief-speculatieve en zich esthetiserende zelfbespiegelende gemoedshoudingen, hoe bescheiden ook, dient men niet te bagatelliseren. Ze zijn ook met alle “goede” bedoelingen bedenkelijk, daar ze het voor de vooruitgang in een nieuwe wereld bestemd bewustzijn in oude oneigentijdse banen bewust of onderbewust terugleiden willen. Het onderscheidingsvermogen voor het belemmerende en bevorderende scherpt men snel, wanneer men psychisch observeert welke disposities en gebieden van de eigen ziele-geestelijke toestand aangesproken worden door hetgeen in zulke bewustzijnshoudingen optreedt.
            
De verantwoordelijkheid voor de bescherming en de door deze bepaalde afwerende waakzaamheid en inspanning is van eminente betekenis voor degenen die zich voor de civilisatorische ontsluiting van het werk van Rudolf Steiner door de vorming van een geestlevende bewustzijnscel willen inzetten. Het beschermingsmotief krijgt daarbovenuit echter ook een unieke actualiteit van geheel algemene aard. Want diegenen die geloven Midden-Europa, gelet op de flankerende vernietigingsbedreigingen, te kunnen redden door het afwijzen van alle geweldmiddelen, zien over het hoofd dat de negatie krachteloos is, wanneer deze niet door een deugdelijke positieve actie ondersteunt wordt. Weliswaar mogen diegenen gelijk hebben die als het waarschijnlijke gevolg van het stationeren van Amerikaanse raketten in Midden-Europa het veranderen daarvan in een schietplaats van de supermachten willen zien. En niemand die de ellende van die bevolkingen die door zogenoemde ontwikkelingshulp in nog diepere nood werden gedompeld, met eigen ogen heeft gezien, zal tegenspreken dat de misleiding van de economische productiviteit voor het aanschaffen van wapens een boven alle maten uitgaande misdaad is. Toch kan de bescherming van Midden-Europa  niet alleen een negatieve zijn, juist omdat de vernietiging van de Midden-Europese cultuur, zoals dit aan het verloop van de geschiedenis kan worden afgelezen, op besluiten berust die achter de schermen van het uiterlijke gebeuren genomen werden. Rudolf Steiner heeft van een niet al te verre tijd gesproken, waarin men alleen nog uit vertrouwen zou kunnen leven. In vertrouwen op de geestelijke wereld heeft hij de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap opgericht en in vertrouwen op het geestesvertrouwen van degenen die tot de beschermende medeoprichters van deze school zijn beroepen. Zou men in Midden-Europa zich tot het moedige geestesvertrouwen en het vrije inzicht wakker kunnen schudden dat het de opgave van dit Europa is om een archetypisch voorbeeld te geven van de verheffing van het initiatieprincipe tot beschavingsprincipe, dan zou het vertrouwen in zijn bescherming ook in de wapenloosheid gerechtvaardigd zijn. Het zou dan geestelijk beschermd zijn. Men kan wellicht tegenwerpen dat zulke gedachten een nutteloos en daarom wellicht zelfs verwerpelijk gedachtespel zijn, daar het aan alle voorwaarden voor de verwerkelijking daarvan ontbreekt. Toch is een andere hopende overtuiging ook denkbaar. Het zou immers frivool zijn om het voor totaal onmogelijk te verklaren dat de op alle gebieden van het menselijke leven steeds groter wordende problemen de mensen tot het alleen behulpzame inzicht zouden leiden: tot het kenbesluit om door een geestelijke taakstelling centra van genezing in het afstervende sociale organisme te vormen.

Wanneer de mensen in Midden-Europa om te beginnen alleen in bescheiden, kleine aanzetten zich tot taak zouden stellen om werkgemeenschappen van geestelijk georiënteerde, maar ook de aarde liefhebbende en verzorgende zelfhulp te stichten, dan zouden ze kunnen hopen en op een verdere verspreiding van hun inspanningen kunnen vertrouwen. Deze hoop en dit vertouwen alsmede het daarvan uitgaande actieve inzicht te verschaffen is de opgave van de leerlingen van Rudolf Steiner. Zij kunnen het begrip voor het bescherming biedende verspreiden, wanneer ze zelf in het juiste begrijpen en gedrag het werk van Rudolf Steiner zouden beschermen.   





[1] Deze verhandeling is de volledig herziene en verruimde editie van een studie die onder dezelfde titel in “Korrespondenz”, Zeitschrift für Freie Jugendarbeit, Kunst und Sozialorganik, 1983 –I, Gideon Spicker Verlag, Dornach is verschenen.
[2] Zie Rudolf Steiner, De Mystiek aan het begin van het eigentijdse geestesleven en haar verhouding tot het moderne wereldbeeld, Stuttgart 1924, 4 (Vertaald als “Mystiek en het moderne denken”): “Voor wie dit zintuig (het in de zelfkennis nieuw ontsloten zintuig) zich niet geopend heeft, gelooft dat zelfkennis op dezelfde manier tot stand komt als kennis door uiterlijke zintuigen, of door een of andere van buiten komend middel. Hij meent: ‘Kennis is kennis’. De ene keer is het onderwerp daarvan iets wat in de buitenwereld ligt, de andere keer is dit onderwerp de eigen ziel. Hij hoort slechts woorden, in het beste geval abstracte gedachten bij datgene wat voor dieper blikkenden de grondslag van hun innerlijk leven is, namelijk bij de zinsnede dat we bij alle andere soort kennis het onderwerp buiten ons hebben, bij de zelfkennis binnen dit onderwerp staan, dat we elke andere onderwerp als klaar afgesloten op ons af zien komen, in onszelf echter als actieve, creatieve datgene zelf weven wat we in ons observeren.”. Ibid.5: ”Als we dit zintuig hebben, dan weten we dat zijn waarnemingen zich wezenlijk onderscheiden van die welke betrekking hebben op uiterlijke dingen. Dan weten we dat dit zintuig datgene niet buiten zich laat wat het waarneemt, zoals het oog het geziene voorwerp buiten zich laat, maar dat het zijn onderwerp geheel in zich opnemen kan.”
Dienaangaande citeert Rudolf Steiner ibid. 6: J.G. Fichte: “De meeste mensen zouden gemakkelijker ertoe te bewegen zijn om zichzelf voor een stuk lava op de maan te houden dan voor een Ik. Wie hierover het nog niet eens met zichzelf is, begrijpt geen grondige filosofie en heeft dat ook niet nodig. De natuur, wier machine hij is, zal hem reeds zonder al zijn toedoen in alle zaken leiden die hij uit te voeren heeft. Tot het filosoferen behoort zelfstandigheid: en dit kan men alleen aan zichzelf toekennen. – We moeten niet zonder ogen willen zien; maar we moeten ook niet beweren dat het oog ziet.” In dezelfde context citeert Rudolf Steiner ibid.,13: Paul Asmus, Das Ich und das Ding an sich (Het Ik en het ding op zichzelf): “Het begrijpende denken….heeft geen…..onkenbaar subject, waaraan zijn bepalingen slechts bijkomstigheden zouden zijn, integendeel, het concrete subject valt binnen het begrip. Begrijp ik iets, dan is het in zijn complete volheid in mijn begrip aanwezig; in het binnenste heiligdom van zijn wezen ben ik thuis, niet omdat het geen eigen op-zichzelf zou hebben, maar omdat het mij door de boven ons beide zwevende noodzakelijk  van het begrip, dat in mij subjectief, in hem objectief verschijnt, dwingt zijn begrip na te denken.”  
[3] Zie over deze hier niet dieper onderzochte wezensaard van het geestelijke gewaarworden de uitvoerige verhandeling van de schrijver dezes in zijn in het tijdschrift “Beiträge zur Weltlage”, Dornach, januari 1984, nr. 71 verschenen artikel “Eine schwierige Frage. Eine alle Erwartungen übertreffend Antwort. Erkenntniswissenschaftliche Bemerkungen zur Bildhaftigkeit des übersinnlichen Schauens.” (Een moeilijke vraag. Een alle verwachting overtreffend antwoord. Kenniswetenschappelijke aantekeningen bij de plasticiteit van het bovenzinnelijk schouwen).
[4] Zie de tekst van § 8 in het aanhangsel afgedrukte principes.
[5] Zie ook de tekst daarvan in het aanhangsel.
[6] Zie andere verhandelingen van de schrijver die daarop ingaan, zoals aangegeven in de publicatielijst van het Goetheanum Verlag in Dornach. Van de door het Willehalm Instituut in Amsterdam uitgegeven werkvertalingen komt vooral Beschaving en bescherming in aanmerking.  

* * *

X

Over het Vrij Hogeschoolwezen






De volgende uiteenzettingen[1] zeggen niets over de uiterlijke, institutionele verschijning van de door Rudolf Steiner opgerichte Vrije Hogeschool. Ze spreken van haar idee, daarmee natuurlijk ook van de school als opgave, van de mogelijkheid haar te verwezenlijken en de dwaalwegen waarop men van haar ware verwezenlijking afwijkt.

De Vrije Hogeschool werd door Rudolf Steiner tegelijk met de oprichting van de algemene Antroposofische Vereniging tijdens de jaarwisseling van 19234/24 als de innerlijkste cel en oerbron van de oprichtingsakte (de heroprichting van de vroegere bestaansvorm van de Antroposofische Vereniging) in het leven geroepen.  Dit was evenwel een tevoorschijn-treden van haar daarvan onafhankelijke spirituele oervorm, niet de hervorming van iets voorheen niet voorhanden, veeleer een inleiden in de uiterlijke wereld van iets dat veel oorspronkelijker geworteld is. Aan de betekenis van de geestverkondigende prestatie van Rudolf Steiner wordt hierdoor geen afbreuk gedaan, veeleer wordt zijn roeping om vanuit de bronnen van de geestelijke wereld te scheppen benadrukt, alsmede zijn unieke vaardigheid om op eigentijdse wijze de levende vormbaarheid van de geestelijke wereld gestalte te geven. Hierover zullen enkele verklarende gezichtspunten ontwikkeld worden, niet met een teruggrijpen op een door  hem overgedragen weten, maar in het besef van de taakstelling dat dit met zich mee brengt, en daarmee vanuit de observatie van hetgeen bij onze eigen ziel hoort en haar ontroerd.
            
De Vrije Hogeschool is ideëel gezien een groep van meditatiegemeenschappen. Deze dienen, rondom de centrale meditatiegemeenschap aan het Goetheanum geordend, zich sinds de heroprichting van de algemene Antroposofische Vereniging overal te vormen daar waar zich het leven van haar leden in afdelingen of werkgroepen (in het besef van hun groepstaak) ontwikkelt. Rudolf Steiner heeft aan deze gemeenschappen meditatie-inhouden gegeven in de vorm van verklarende, de wakkerheid en beweeglijkheid van de ziel  oproepende voordrachten en in de vorm van mantra's die de hoofdinhoud van het aan zijn ontvangers aanvertrouwde meditatiegebeuren dienen te vormen. De voordrachten beogen niet alleen een inleiding te zijn ter bevordering van het voorstellende begripsvermogen,  veeleer dienen ze de gemeenschappelijke aandacht van de luisteraars voor een geestelijk gebeuren op te wekken. Volgens een aanwijzing van Rudolf Steiner dienen de voordrachten alleen gehoord te worden, wanneer ze door de “klassenlezer” voorgelezen worden. “Klassenlezers” dienen zulke leden van de Vereniging te zijn die door de leden van het bestuur aan het Goetheanum, aan wie hun ambt in rechtmatige successie sinds de oprichtingsvergadering overgedragen werd, voor deze activiteit bekwaam worden geacht. Van “klassenlezers” en “klassenleden” wordt gesproken, omdat de meditatieschool aan het Goetheanum alsmede haar dochtergemeenschappen in drie klassen opgebouwd dienden te worden. Rudolf Steiner kon echter eer hij de aarde verliet alleen de inhouden van de eerste “klas” van de meditatieschool voltooien. Volgens de wil van Rudolf Steiner dienen de teksten van de klassenvoordrachten niet zomaar algemeen literair verspreid te worden. Ze dienen door een gemeenschap opgevangen te worden om zodanig het omhulsel van een gemeenschappelijk bewustzijn voor de mantra's te laten ontstaan. De mantra's kunnen weliswaar door de klassenleden opgeschreven, op die wijze de intieme omgang toegewijd worden en daardoor de individuele basis en voortdurende verrijking van het gemeenschappelijke bewustzijn vormen dat de klassenleden elke keer dient te verenigen, wanneer ze met de innerlijke  oogst van hun bezinnen en oefenen aan de regelmatige herhaling van de “klassenuren” deelnemen. De persoonlijke relatie van de mantra's met het mediterende klassenlid brengt echter met zich mee dat de handgeschreven teksten alleen met toestemming van de rechtmatige Hogeschoolleiding aan andere “klassenleden” verder gegeven dienen te worden en niet in andere handen mogen raken, om welke reden ze dan ook na de dood van hun eigenaar naar de Vrije Hogeschool terug dienen te gaan.

Het klassenlidmaatschap kan na meerjarige lidmaatschap in de Vereniging op verzoek aan en met toestemming van de geestelijk rechtmatige Hogeschoolleiding verkregen worden. De toelatende instantie kan haar toestemming ook weer intrekken. De vraag of deze uitsluiting van de deelname aan de “klassenuren” gelijk is aan een uitsluiting uit de meditatiegemeenschap moge om te beginnen onbeantwoord blijven. Daarentegen zal over de aard van de groepenmeditatie volgende opmerking gemaakt worden. Het klassenlidmaatschap betekent ideëel gezien niet het onderduiken in het gevoel van een verstands- en gemoedsmatige groepensamenhorigheid. Het heeft veeleer een modern bewustzijnskarakter en onderscheidt zich derhalve van de overgang naar een bewustzijnsdempende groepenbelevenis. Deze ervaringswijze wordt nagestreefd in Oosterse geheime scholen, die reeds langere tijd voor Europeanen toegankelijk zijn en waarvan wij soms indrukwekkende berichten bezitten. Dergelijke meditatiegroepen worden in toenemende getallen ook in de Westerse wereld opgericht. Het zijn de laatste, meestal grotesk en bedenkelijk vertekende uitlopers van een oude, ook in hun Oostelijke oorsprong reeds decadente traditie. In tegenstelling tot dergelijke praktijken, waarvan de opzet vaak in het belang van macht en winst het manipuleren van een gedepersonaliseerd bewustzijn is, heeft de groepenmeditatie van de “klas” tot doel een culturele cel te vormen die civilisatorische uitstralingskracht bezit. Deze celvorming dient in bewustzijnsgemeenschappen gecreëerd te worden die niet ontstaan door het deactiverende opgeven van individuele bewustzijnszelfstandigheid, maar door een actief bewustzijn dat in voortdurende oefeninspanningen cognitief toeneemt. Dit bewustzijn dient ontvankelijk te worden voor het (zijnerzijds in talrijke vormen van individualisering onderverdeeld) ideaal van de individuele geestesgesteldheid van ieder mens. Dit in de schaal van een gemeenschappelijk bovenindividueel-ideaal, ontvangen door een beschavingsprincipiële verantwoordelijkheid van verenigde spirituele activiteit, dient de een nieuw tijdperk inluidende krachtbron te zijn die de mensheid op weg naar een ware vooruitgang uit haar tegenwoordige crisis kan leiden De moderne meditatiegemeenschap van de “klas” is dus ideëel gezien geen zaligmakend toevluchtsoord en staat (juist omdat ze zich aan de individuele activiteit wendt) niet in dienst van het persoonlijke, maar van het sociaal-culturele, ze dient niet te ontvangen maar te presteren. Uit samenvloeiende stromingen dient ze de stroom te vormen die op de golf van een door haar individueel ideaal geïnspirerende mensheid het werk van Rudolf Steiner, als nieuwe vrucht belovend, vertrouwen in de afstervende woestenij van onze tijd draagt. De diepste zin van de nieuwe meditatiegemeenschap is het gepraktiseerde inzicht dat de voorrang die onze tijd aan het uiterlijke handelen boven het kennen toekent, verraad is aan de opgave van ons tijdperk, waarin het uiterlijke handelen alleen door een innerlijk, kennisgelouterd handelen kan worden gemotiveerd.

Uit de gemeenschapsbelevenissen, die in de meditatiegemeenschappen verworven en in de individuele meditatie indachtig de gemeenschappelijke oorsprong ervan verder verdiept dienen te worden, kan krachtgevende charisma voortvloeien. Dit charisma tot heilzame werking te brengen in het werk van de groepen alsmede in de configuratie van het eigen lot is de opgave van elk lid van deze kringen, welke van zijn civilisatorische verantwoordelijkheid bewust is. Het centrum van de zich uitbreidende impuls dient de meditatiegemeenschap aan het Goetheanum te vormen, in de zin van de centrale bestemming die deze gemeenschap idealiter toebedeeld was en in zoverre deze bestemming in de geest van de spiritueel rechtmatige opvolging van de Kerstbijeenkomst vervuld wordt. Aan het Goetheanum hoort deze centrale bron van spiritueel leven, dat aldaar uit de naar binnen en buiten gerichte inspanningen om het werk van Rudolf Steiner te ontsluiten en creatief verder te ontwikkelen dient te stromen, door de “secties” omringd te worden. Deze secties zijn onderzoeks-, leer- en opleidingsplaatsen op bepaalde gebieden van de geesteswetenschap van Rudolf Steiner, geleid door de voor de taak van de verscheidene secties verantwoordelijke vertegenwoordigers van de centrale impuls. De sectieleiders en hun medewerkers bepalen het verloop van dit onderzoek, net als in de faculteiten van andere hogescholen. Doch is het beslissende onderscheid tussen deze uit te voeren leidingfunctie en de voor deze tijd normale gang van zaken dat de grondslag ervan niet gevormd wordt door de vandaag instinctief of bewust heersende materialistische wereldbeschouwing, maar door het wereldbeeld van de geesteswetenschap van Rudolf Steiner. Een hiermee verbonden fundamenteel onderscheid is verder de toegangswijze tot de vakgebieden van deze geesteswetenschap. Deze toegang is niet door de normale vakstudie (met enkele materialistisch georiënteerde basiswetenschappelijke premissen) te bereiken. Veeleer is de basiswetenschappelijke toegangspremisse tot de geesteswetenschap van Rudolf Steiner alleen door meditatieve bewustzijnsverandering te verkrijgen. Deze ingang tot zijn werk wordt derhalve in wezen niet door kennisoverdracht en -ontvangst bereikt, maar door de scholing van een specifieke, de huidige wetenschap onbekende vaardigheid. Het karakteristieke daarvan kan als een ontsluiten van wetenschappelijke inhouden binnen het eigen kennende activiteitsbewustzijn gekenmerkt worden. De nieuwe wetenschapsbeoefening en de daarbij behorende gezindheid staan haaks op de vandaag alleen bekende en erkende wetenschapsvormen die de kenactiviteit ook in het gebied van de zogenaamde geestes- en menswetenschappen slechts op constateringen doen uitstrekken, die in de modaliteit van vooraf gegeven concreetheid als buiten het kenproces blijvende inhouden opgenomen en onderzocht worden. De meditatief veranderde bewustzijnssoort vindt haar onderwerpen en wetenschappelijke vormen geheel en al binnen haar kenactiviteit, zoals dit bij het psychisch observeren van het kenproces het geval is, door de activiteit waarvan wij de denkinhouden (begrippen), ideeën) als onze eigen, maar door hun samenhang objectief bepaalde producten gewaar worden.[2] De grondslag van alle op die wijze georiënteerde meditatieve verrichtingen is de psychische observatie van het kenproces, zoals dit Rudolf Steiners Filosofie van de vrijheid op een voor de bewustzijnssoort van ons tijdperk archetypisch geldende wijze schildert.[3]

De volgende kenmerken zijn voor het wezen en opbouw van de Vrije Hogeschool karakteristiek:

1.  De “klassenuren” werden door Rudolf Steiner voor het eerst aan het Goetheanum gehouden, in het kader daarvan gaf hij aan de klassenleden voor het eerst de mantra's die als werkzame grondbeginselen de essentie van deze uren vormen. Reeds toen werd met de herhalingen van de ‘klassenuren” aan andere plaatsen door daartoe beroepen “klassenlezers” begonnen. Ook vandaag de dag nog wordt meestal in getrouwe herhaling van de door Rudolf Steiner overgeleverde teksten zo gehandeld. Want de “vrije weergave” daarvan schijnt onjuist, wanneer men zich ervan bewust maakt dat ze als nalatenschap getuigen van de hoge inwijding van Rudolf Steiner. Wel zou men het als een opgave kunnen zien om vanuit de oerbeeldgestalte van de klassenuren een metamorfose van hun gehalte in een eigen creatief werk te ontwikkelen. Een dergelijke poging zou echter uit de grond van de zaak niet binnen het engere bereik van de “klas” kunnen worden ondernomen, - een bereik waarin de individuele verbinding met het geestesmiddelaarschap van Rudolf Steiner gezocht dient te worden. De oefende beproeving en verkenning van zijn archetypische bewegwijzering is juist dan geen onzelfstandige herhaling wanneer ze in trouwste ernst gebeurt: dit zou het minst met de vrijheidsgeest ervan overeenkomen.  Veeleer verschijnen zulke inspanningen, wanneer ze tot wezensverandering leiden, in steeds nieuwe individuele metamorfosen. Deze kunnen de eigen creatieve vaardigheid bevleugelen. Een poging tot “vrije” weergave van de door Rudolf Steiner uit geestesbronnen geputte substantie kan daarentegen slechts dubbele afhankelijkheid zijn. Enerzijds blijft dit ver achter bij de voorgegeven juweelachtige terminologie, anderzijds staat dit bloot aan de beperkende voorwaarden van de eigen subjectiviteit. De deelname aan de onaangetaste “klassenuren” en de studie van de klasseninhouden kan daarentegen tot een tweevoudige verbinding met de geest van Rudolf Steiner voortschrijden, door gemeenschappelijk verruimd en individueel geconcentreerd bewustzijn.

2. De door Rudolf Steiner ingeluide oprichting van een centrale meditatiegemeenschap en haar dochtergemeenschappen is onvoltooid. Het door hem begonnen werk diende in drie stappen opgebouwd te worden, in drie de voortgang van de civilisatorische bewustzijnsvorming kenmerkende klassen. Maar alleen de inhouden van de eerste “klas” zijn gegeven. Rudolf Steiner nam afscheid van de aarde eer hij dit door hem begonnen meditatiewerk kon voltooien. Hieruit de conclusie te trekken dat zijn poging om een nieuw beschavingsprincipe door de heroprichting van de door zijn werk gedragen en zijn werk dragende Vereniging te stichten mislukt zou zijn, is onjuist. Uiteraard is dit vernieuwingswerk onvoltooid; het zou dit ook zijn indien de opbouw van de meditatieschool in de door hem geïntendeerde volledigheid plaats gevonden zou hebben. Want de idee van de meditatieschool wordt alleen in zoverre werkelijkheid, indien dit idee in een bewustzijnsgemeenschap door de individuele kennisprestaties van de leden gestalte krijgt. Dit vormingsproces moet derhalve steeds een voortdurende en derhalve ook steeds onvoltooide zijn. Wezenlijk daarbij is de vooruitgang die geboekt wordt door het in elkaar werken van individuele- en gemeenschapsvorming in het besef van de geestesgestalte van de Vrije Hogeschool. In dit voortschrijdend bewustzijn voltooid zich de meditatieschool onafhankelijk van haar onvoltooid-zijn op dat ogenblik. Hoe dit precies te begrijpen is, zal in wat volgt verklaard worden.

3. De centrale meditatiegemeenschap dient zich in de metamorfosen van de meditatiegemeenschappen van de periferie te herhalen, die hun spiritueel leven uit dezelfde meditatie-inhouden putten, hoewel ze ook door de activiteit van de “klassenlezers” en de door het lot bepaalde  groeppensamenhang geïndividualiseerd zijn.

4. De meditatie-inhouden zijn enerzijds overal dezelfde, anderzijds kan elk lid van de in trouw aan de oprichtingsdaad geleide algemene Antroposofische Vereniging, dat zich tot op zekere hoogte vertrouwd heeft gemaakt met het werk van Rudolf Steiner en met het leven van de Vereniging in haar door de geestesgeschiedenis bepaald handelen en lijden, toegang tot de meditatiegemeenschappen vinden. Derhalve reikt de van het centrum door de werkzaamheid van Rudolf Steiner uitgaande geestesstroming, volgens de idee en taakstelling ervan, enerzijds tot in alle uithoeken van de periferie en wordt anderzijds (wederom volgens de idee en taakstelling) de perifeer uitgestrekte Vereniging voortdurend bij het leven van de centrale Hogeschool betrokken. Deze uitspraak is uiteraard alleen in zoverre juist, indien de Vrije Hogeschool niet alleen door een beherende en traditionele institutie vertegenwoordigd wordt, maar door de creatieve activiteit van vertegenwoordigers van de geesteswetenschap van Rudolf Steiner die deze, trouw aan haar oorsprong, zelfstandig voortzetten.

5.  Dit is met het oog op het onderzoek, onderwijs en de opleiding, die van het centrum van de Hogeschool dienen uit te gaan, van de grootste betekenis. Want uit het uiteengezette blijkt de civilisatorische, sociaal-culturele taakstelling, volgens welke het onderzoekswerk van de actieve en vooral van de aan het Goetheanum representatief actieve leden in een voortdurende samenhang en uitwisseling dienen te staan met het in hun innerlijk ontwikkelde beleven van de “stille” leden.  Dit berust niet alleen op uiterlijke kennisneming, maar is nog veel dieper gegrond in de onzichtbare en onbetuigde innerlijke, ziele-geestelijke vervlechtingen van een kennisgemeenschap. Men kan deze (aanvankelijk alleen volgens de idee plaatsvindende, maar ook op elk moment, onafhankelijk van uiterlijke voorwaarden, beleefbare) wisselwerking met een ademproces vergelijken, met een uitademen van datgene wat van het centrum dient uit te gaan en een inademend opnemen van datgene door het centrum wat deze van de periferie tegemoet dient te komen. Men kan dit proces ook vanuit de periferie aanschouwelijk maken.


6.  Daar dit ademhalen als het spiritueel verenigingsvormende en daarmee beschavingsvormende proces door Rudolf Steiner als opgave aangelegd werd, volgt hieruit verder dat geesteswetenschappelijk onderzoek en civilisatorische verenigingsvorming in een voortdurend in elkaar vloeiende samenhang dienen te staan, dat het ene niet zonder het andere in hun spiritueel en sociaal gegrond wezen mogelijk is. De geheel individuele prestatie van de vorser behoeft in de zin van de hogeschoolidee van Rudolf Steiner de inbedding in een gemeenschappelijk vertrouwend-beschermend bewustzijn, in een in vriendschappelijk verbonden interesse. Dit gemeenschappelijk bewustzijn en warme interesse dienen te beseffen dat ze aan het ontstaan en de voortgang van het onderzoekswerk in een medeverantwoordelijke gezindheid betrokken zijn. Individuele prestaties en gemeenschappelijk bewustzijn worden immers gevoed uit de bron, in de gewaarwording waarvan ze zich wederzijds beschermen en behoeden voor het verzeild raken op zijwegen. Deze bron is de hoogste, ideale vorm van het individueel bewustzijn, wiens baanbrekende representant en bemiddelaar Rudolf Steiner is en tot wier dragers de in individuele bewustheid en gemeenschappelijke vriendschap verenigde klassen- en hogeschoolleden  idealiter beroepen zijn. Hieruit volgt op grond van de realiteit en reële werking van de gezindheid en van de deze dragende ideeën, de verantwoordelijkheid van de gemeenschap voor de individuele prestatie, die tot het ideeënvlechtwerk van het kennisleven van de gemeenschap behoort. Evenzo dient de individuele vorser zich van zijn verantwoordelijkheid voor de van zijn prestatie uitgaande verenigings- en gezindheidvormende uitstraling bewust te zijn. Deze verantwoordelijk reikt veel verder dan alleen tot in het betuigde handelen en gedrag, het moet in de cultuur gegrond zijn die elk lid van de meditatiegemeenschap aan zijn eigen wezen ten deel laat vallen.

7. De intimiteit waarin de klassenvoordrachten en mantra's als een bewijs van ultiem vertrouwen van de daarmee lotsvormend verbonden creatieve verkondiger aan het verantwoordingsbewustzijn van de ontvangers overgedragen worden, maakt de gehechtheid en eendracht van het gemeenschappelijke bewustzijn, waarin ze werkzaam dienen te worden, duidelijk. Het gemeenschappelijke bewustzijn in zijn hoedanigheid als een dragende kracht van een onmetelijk verheven bewustzijn is zelf iets spiritueel wezenlijks dat, wil het ontstaan en zich verder ontwikkelen, niet door andersoortige bewustzijnsinslagen verstoord en verziekt mag worden. Hieruit worden de voorwaarden begrijpelijk die met het klassenlidmaatschap verbonden zijn. De klassenleden horen hun leven te organiseren in de verantwoording voor de meditatiegemeenschap waarin ze opgenomen worden en die ze mede dienen te organiseren. Daarin komt enerzijds tot uitdrukking dat de meditatiegemeenschap haar werkzaamheid als beschavingsprincipe alleen onder de zorgvuldige zelfcontrole van haar leden in gedachte en daad in de zin en stijl van haar opgave kan ontplooien. Het wordt anderzijds duidelijk waardoor de meditatiegemeenschap de naar binnen gerichte krachten ontplooit die haar voor een verheffend bewustzijn ontvankelijk maken. De naar buiten gerichte evenals de naar binnen gerichte krachten van de meditatiegemeenschap zouden verflauwd moeten raken, indien haar leden en de voor haar verantwoordelijken zich bereid zouden vinden tot een compromis of zelfs coöperatie met andersoortige of vijandelijke gezinde bewustzijnshoudingen. Hieruit volgt ook dat de klassenleden uit vrij inzicht zich tot overeenstemming met het bestuur aan het Goetheanum verplichten, in zoverre dit bestuur de hoogste in onze beschaving vertegenwoordigde verantwoordelijke instantie voor het spirituele vormingsproces van de cultuurcreatieve bewustzijnscel dient te zijn. De gebrekkige bewustzijnsovereenstemming, de ontbrekende overeenstemming met Rudolf Steiner, zou de vorming van de eigentijdse vormgevingsimpuls van ons tijdperk verhinderen. Het zou overeenkomen met het prijsgeven van mysterie-inhouden dat men in vroegere tijden verraad noemde en met de doodstraf bestrafte. Vandaag zou men de verloochening en overtreding van de bewustzijnsovereenstemming met het Hogeschoolwezen en diens stichters en dragers moeten kenmerken als zelfuitsluiting uit het meewerken aan de vorming van een moderne bewustzijnssoort en bewustzijnsrichting en uit de geestlevende lotsvervlechting daarvan.

In het voorafgaande werden enkele grondtrekken van de Vrije Hogeschoolidee aangeduid, zoals die aan de conceptie van Rudolf Steiner kunnen worden afgelezen. Over haar verwezenlijking, over de werkelijkheid van de Vrije Hogeschool binnen onze beschaving is hiermee niets uitgesproken. De aangevoerde observaties betreffen enkel en alleen de kenmerken van de door Rudolf Steiner verkondigde en behoede ideeëngestalte. Aan de hand daarvan verkrijgt men het beoordelingscriterium voor de poging om de Vrije Hogeschool te verwezenlijken en de aanspraak daarop. Laten we vanaf nu ons afvragen welke psychische observaties, die we kunnen maken aan ons eigen wezen, overeenkomen met de ideeënvorm van de Vrije Hogeschool. Want alleen wanneer ons eigen ziele-geestelijk wezen met de ideeëngestalte van de Vrije Hogeschool van Rudolf Steiner overeenkomt, met haar van ons eerst onafhankelijke wezensaard, kunnen we haar erkennen als iets dat met ons vrij zelfbesef overeenkomt, dat ons niet opgedrongen is.

Hiermee hangt de voor al het antroposofische werk beslissende vraag samen, hoe de geesteswetenschap van Rudolf Steiner in ons als gedachte en daad, als vervulde waarachtigheid zou kunnen leven. De beslissend beantwoordende richtingwijzer verkrijgt men door Rudolf Steiners De filosofie van de vrijheid. Dit is om die reden het basiswerk dat volgens zijn eigen uitspraak hem het langst zal overleven, omdat deze filosofie de fundamentele kennis ontsluit waarop zijn hele werk stoelt en van waaruit de toegang tot elk van zijn andere werken te vinden is. Deze basiskennis is het antwoord op de vraag: “Wat is antroposofie?” Dit antwoord is geen overdraagbare en in het geheugen bewaarbare kennis: het is veeleer de aansporing tot een oefenend beproeven van de vaardigheid die zelf het antwoord vindt. Het antwoord is zelfbeantwoording. De filosofie van de vrijheid is het scholingsboek van ons tijdperk voor allen die aan de oprichting van een nieuwe, het materialisme aflossende cultuur willen deelnemen. Ze is het tot dusver meest beduidende voorbeeld van de toepassing van de psychische observatie volgens natuurwetenschappelijke methode. De toepassing van deze observatiemethode op het kenproces in de zin van De filosofie van de vrijheid is het basisproces dat op de vraag: “Wat is antroposofie?” antwoord geeft - het is de basisoefening die alle andere meditaties qua mogelijkheid omvat, alle geesteswetenschappelijke kennis in de kiem bevat en de ontplooiing daarvan uit dit kiempunt begrijpelijk maakt, bevordert en 

De basiskennis die voortvloeit uit De filosofie van de vrijheid, niet als wetenschappelijke inhoud, maar door oefenend observeren verworven wezensinzicht is, kort samengevat, de volgende: psychische observatie toont aan dat alle inhouden van ons bewustzijn, van de meest eenvoudige voorwerpen tot aan de meest gecompliceerde resultaten van het kennen, ontstaan door de onbewuste of bewuste doorvorming van waarneembaar-stofachtige vormloze probleemelementen met begripsmatige vormkrachten. De (vermeende kant en klaar herkenbare) gestalten van onze wereld zijn dus in waarheid resultaten van een door ons ononderbroken, min of meer bewust verricht vormgevingsproces. Hoewel het zoals gewoonlijk grotendeels in het onderbewuste verloopt, kunnen de aanvankelijk niet volbewuste bestanddelen van dit gebeuren naderhand in hun opbouw qua opeenvolging en ordening bewust worden gemaakt. Deze schets laat de ruimte niet toe om dit vormgevingsproces in detail te schilderen. In talrijke mondelinge en schriftelijke betogen heeft schrijver dezes de door Rudolf Steiner getrokken hoofdlijnen verder uitgewerkt.[4] Hier moet er genoegen mee worden genomen om de onbevooroordeelde aandacht te vestigen op de probleemsituatie die zich al voordoet bij de eerste aanzet tot deze obervatiemethode. Het is immers bij de eerste onbevangene blik reeds duidelijk dat al het zuiver waarneembare, op grond van de volledige samenhangloosheid ervan, de vormloze stof levert voor de begrippen en dat die, krachtens deze belevend-doortrekkende, samenhangvormende bindkracht, een onbeperkte vormbewegelijkheid hebben. Deze beweeglijkheid oefenen wij met de begrippen (deze in het door zichzelf bepaalde oerwezen in onze denkakten meevoltrekkend) continu uit in de bewustzijnsopbouw van alle wereldverschijnsels, doordat wij deze tot het niveau van in zich en onder elkaar geordende gestalten verheffen. Dit vormgevingproces is in de volste zin van het woord een wereldvormingsproces. Want uit ongevormd waarneembare stofelementen ontstaat door de ingreep van beweeglijk-beeldende begrippen een wereld van door scheppende geest doordesemde, in stapsgewijze ordening opgebouwde wezenheden. De naar ons kennen toegewende psychische observatie overziet een ontstaansproces, waarvan de typische en individuele vormingsresultaten van onze aandacht afgelezen en in hun wetmatige context en volgorde begrepen kunnen worden. Zelfs zulke eenvoudig voorwerpen als een fles of een tafel ontstaan, zoals gemakkelijk in het herhalende onthullen van hun voorbewuste toestand te observeren is, als gestalten van ons bewustzijn door een evolutieproces met een karakteristiek die tegelijk individueel en typisch is, individueel ten opzichte van de individuele gestalte en typisch ten opzichte van het elementaire proces dat de gestalten doet ontstaan.  Op grond van deze individuele typogenese zijn ze metamorfosen van de algemene wereld-in-wording. Wie Rudolf Steiners leer van de kosmische evolutie[5] kent, zal een parallel van het kosmische met het zich in het individueel bewustzijn afspelende vormgevingsproces kunnen constateren. Deze schets wil zich echter niet op literaire bronnen beroepen, maar alleen op datgene ingaan wat voor elke onbevangen aandachtige oberserveerder in het eigen overzien toegankelijk 

Wat in de voorafgaande samenhang vooral interessant is, is het in elkaar grijpen en beurtelings zich ontplooien van de oerelementen van het vormgevingsproces. Dit is immers een wisselwerkend ontstaan van wereld en mens, waarin de wereld door en uit de mens ontstaat, en de mens uit en door de wereld. Want niet alleen de wereld in haar vormenvolheid komt uit het vormingsproces voort dat de mens verricht doordat hij waarneembare en begripsmatige elementen verenigt. Ook de mens ontstaat uit dit proces; hij verheft zich in het verrichten daarvan tot zijn eigen geestesgestalte. De tegenspraak die zich daarin schijnt voor te doen dat het voortbrengende wezen door het door hem bepaalde wordt voortgebracht, lost zich op zodra men de metamorfose van de bewustzijnstoestand aanschouwelijk maakt die in het verloop van dit proces zich voordoet. De vormgeving van de wereldverschijnselen gaat immers uit van een bewustzijnstoestand waarin waarneembare en begripsmatige elementen aanvankelijk als een eerst nog te verenigen, gescheiden tegenstelling tegenover elkaar staan. Zolang deze toestand de voornaamste invloed op het menselijke zelfbeleven binnen zijn totaalbewustzijn uitoefent, wordt de mens zich van zichzelf als een van de overigen wezens afgescheiden enkelwezen bewust. In het bewustworden van de vereniging en afwisselende doordringing van waarneming en begrip beleeft de mens zich evenwel als toebehorend tot de algehele, geestelijk doordrongen wereld, verkrijgt hij een in zijn deelbewustzijn ingeschapen totaalbewustzijn, een dit in logisch opzicht dragend totaalbestaan in het universum. Want op grond van het doordringen van alle wereldverschijnselen met de ene en hele, nergens in haar samenhang onderbroken, hoewel in talrijke begripsmatige deelelementen verdeeld idee, en op grond van zijn eigen actieve vereniging daarmee in zijn kennen behoort de mens (volgens de reële gang van zaken) de hele wereld toe. Uiteraard kan hij zich deze voor hem onderbewust blijvende vereniging, wat haar specifieke geaardheid betreft, pas door de psychisch observerende zelfopwekking uit de versuffing der gewoontes duidelijk maken, en inhoudelijk alleen in oefenende, geleidelijk doordringende doch onvoltooide vooruitgang in zijn bewustzijn verheffen. Als een voortbrenger van de werkelijkheid in zijn kennen ervaart de mens in het verruimen van zijn persoonlijke zicht de bewustwording van zijn hoger, totaalexistentieel de wereld toebehorend wezen, welke hij als de schepper van zijn vaardigheid begrijpt om zelfbesef te verwerven dat zijn van de overige wereldverschijnselen losgemaakt geïsoleerd bestaan 

Dit summier bericht kan ook de niet beter geïnformeerde lezer ervan overtuigen dat de werkelijkheidsmeditatie (het oefenend psychisch observeren van de vormenopbouw van werkelijke dingen in ons kennen) alle andere meditaties omvat. Deze hebben immers geen andere opgave dan in telkens afgestemde toegangswijzen een gewaarwording van het geestelijke wezen van de werkelijkheid te ontplooien. De opbouw van de werkelijkheid omvat alle specialkennis; wie deze opbouw onderzoekt, kan die kennis 

Indien men overziet wat in het voorafgaande aanduidend werd gekarakteriseerd, wordt men gewaar dat de manier waarop wij in de werkelijkheid ingebed zijn en hoe wij daarvan bewust kunnen worden, volledig overeenkomt met de constitutie die Rudolf Steiner aan de Vrije Hogeschool heeft gegeven. Wij oefenen immers in een voortdurende realisatie van de werkelijkheid een uiteraard meest onderbewust verlopende meditatie uit. Meditatie is de verhoging en verdieping van ons werkelijkheidsaandeel door herhalende inspanningen ter verinnerlijking van die ziele-geestelijke vaardigheiden die met de objectieve vormgevingsprocessen overeenstemmen. In de “klassenuren” dient niets anders te gebeuren dan het oefenings- en scholingsachtige voortschrijden in het gewaarworden van het geestdoorwrocht-zijn van de werkelijkheid. Deze voor een verheffend bewustzijn geopende en door deze verzadigde werkelijkheidswinst van een kennisgemeenschap dient als de civilisatorische impulsatie van een het materialisme aflossende spirituele cultuur uit te stromen in onze van zingeving onterfde tijd. Uit het aflezen van de opbouwprincipes van gestalten verkrijgt men begrip voor de opbouw van de “

Andere wezenlijke overeenstemmingen komen daarbij. Evenals de bewuste verrichten wij de onderbewuste werkelijkheidsmeditatie in een gemeenschap - in de grootste die er bestaat. Want alle mensen zijn lid van dezelfde levensschool waarin ze de werkelijkheid kennen, meevoltrekken leren. Elk mens volbrengt in zijn eigen ziele-geestelijk leven datgene wat hem met hetgeen alle anderen volbrengen en het resultaat daarvan verenigt, net als de individuele meditatie van de klassenmantra's met het algemene klassenbewustzijn (volgens de idee) is vervlochten - hier alsook daar bepaalt en doordringt het ene het andere. Deze doordringing van algemene en individuele bewustzijnsvorming neemt toe des te voortreffelijker en preciezer ze wordt geobserveerd en des te krachtvoller en volhardender beoefend, hier alsook daar leidend tot een hoger bewustzijn, tot de niet alleen wetende maar ook belevende gewaarwording van de totale, de wereldverschijnselen doordringende geestesmenselijkheid. Want de werkelijkheidsvormende ideële inhouden van ons kennen zijn tegelijk elementen van onze uit eigen inzicht opgebouwde individuele geestesgestalte die een verwezenlijkingvorm van onze ideale totale geestesgestalte is. Op de weg van De filosofie van de vrijheid, deze weg van de bewustmaking van de onderbewuste elementen van ons alledaagsbewustzijn, leidt Rudolf Steiner als de representant van ons cultuurtijdperk ons op een weg die in wezen en qua doel analoog is aan de voortgang en het resultaat van de “klassenuren”, de weg naar geestesmenselijkheid. De doordringing van individueel, gemeenschappelijk en totaal (geestesmenselijk) bewustzijn is, min of meer bewust, een in elk mens aanwezig gebeuren, het is de wezensaard van het menselijke. Dit is de in elk mens en in elke menselijke gemeenschap ingeschapen Hogeschool. Vóór de oefenende metamorfose van het aangeborene in vaardigheid is het echter de onbewuste (nog niet vrije) hogeschool. De Vrije Hogeschool maakt de onbewuste Hogeschool bewust. Ze is derhalve niet iets dat ons opgedrongen is, maar ons wezen het meest passend, ze is datgene wat wij, wanneer wij ons zelf verstaan, het meest en uitdrukkelijkst willen, waarin wij ons zelf willen. De anders ongeregelde, onwillekeurig-onontwikkelde vormgevingsimpulsen, aan alle ongunstige invloeden door hun onbewustheid overgeleverd en door ons in normaliter onbeproefde groepeninstincten alsmede in gemanipuleerde en massasuggestieve publieke overeenkomsten gevangen, zijn impulsen die wij voortdurend voltrekken, maar verteren eer zich uit de kiem ervan onze menselijkheid kan ontplooien. Deze worden door hun bewuste cultivering in de meditatie niet kunstmatig gecreëerd, maar verzorgd, geïntensiveerd en versterkt. De Vrije Hogeschool is geen kunstmatig product, ze is een bewustmaken, veredelen en verheffen van iets dat voorhanden is, dat ons ware wezen toebehoort, ze is de zelfkennis en het zelfonderzoek van onze zelfverheldering voor het deze overstralend licht van ons wezensdoel. De verborgen oerbron van alle productiviteit is de nog onderbewust-onvrije hogeschool als de vervlechting van het individuele, gemeenschappelijke en geestesmenselijke. Deze bron is alle mensen ingeschapen; het door de dempende gewoonte slechts spaarzaam opborrelen ervan wordt in de Vrije Hogeschool (in zoverre ze ontstaat) aangeboord en tot een onbelemmerd en onvertroebeld stromen gebracht. De Vrije Hogeschool is niets anders dan van zichzelf bewustwordende menselijkheid die zich over alle gebieden van haar activiteit 

Tegen deze uiteenzettingen zal men wellicht inbrengen dat het zuivere gedachtegangen zijn waarvan de algemeenheid geaccepteerd zou kunnen worden zonder dat daaruit een handelen zou volgen, omdat immers de zekerheid en elan eraan ontbreken die nodig zijn voor het oplossen van actuele moeilijkheden en 

Dat dit een complete vergissing is, ziet men in wanneer men overweegt welke bewustzijnshoudingen en verantwoordelijkheden uit het naar voren gebrachte voortkomen. De hier ontwikkelde idee van de Vrije Hogeschool is immers het ideale voorbeeld en oerbeeld van een handelende mens. Want men kan het wezen en de betekenis van de Vrije Hogeschool alleen gewaarworden, wanneer men inziet dat ze in en onder mensen op grond van de verwezenlijkende activiteit die hun geestelijk wezen uitmaakt overal reeds als aanleg en mogelijkheid aanwezig is. De individuele mensen beelden op grond van hun verbintenis met hun gemeenschap en met hun hogere wezen de Hogeschool, uiteraard slechts als een in hen sluimerende, maar ook boven hen zwevend ideaal, reeds uit. De driegelede individueel-gemeenschappelijk-geestesmenselijke bewustzijnssoort die de mens in de opbouw van de werkelijkheid voortdurend bezigt en verwezenlijkt, is in wezen het ontwerp van de Vrije Hogeschool. De Vrije Hogeschool moet derhalve niet opnieuw geschapen worden, haar daadwerkelijk bestaan moet alleen aanschouwd worden, en naar haar zich in bewust verrichten voortschrijdend ontwikkellende existentie als menselijk kennen en handelen verklaard 

Daaruit volgen inzichten waarvan de praktische consequentie moeilijk te ontkennen valt door degene die dit 
De Vrije Hogeschool is overal, omdat ze overal is, omdat ze de mensen ingeschapen is. Derhalve kan ze overal verwezenlijkt worden waar mensen in haar geest streven en werken. Rudolf Steiner zelf heeft dit op niet mis te verstane wijze tot uitdrukking gebracht en zijn volgelingen daarmee tegelijk een taak achtergelaten, toen hij het instituut van Frau Dr. Kolisko in Stuttgart als een zodanige“ aan het Goetheanum” 

Omdat de Vrije Hogeschool als menselijke geestesgestalte overal aangelegd is en derhalve (weliswaar niet als vaststaand feit, maar wel als voortschrijdend individueel- en gemeenschapsgebeuren) overal en elk moment verwezenlijkt kan worden, is ook overal en elk moment de verbinding met haar stichtende bemiddelaar van een verhogende tegenwoordigheid van geest mogelijk. Dit uiteraard alleen in de verantwoordingsbewuste controle van het denken en handelen van een van haar culturele en civilisatorische taak bewuste 

Wanneer de Vrije Hogeschool, als iets de mens ingeschapen hoogst wezenlijks en steeds op verwezenlijking wachtend, ook geestelijks overal aanwezig is, dan mag ze evenwel niet met een uiterlijke verschijningsvorm verwisseld worden. Als geïnstitutionaliseerd beheersinstantie kan haar wezen nooit verwezenlijkt zijn. Wat in die vorm daarvan verschijnt kan in het beste geval symbolisch karakter hebben. Het kan enkel en alleen ertoe dienen om de uiterlijke middelen van de innerlijke toegang tot het levende werken beschikbaar te stellen dat van haar spiritueel rechtmatige, creatieve vertegenwoordigers dient uit te gaan. Het kan ook de voorzorgsmaatregelen treffen ter verspreiding van dergelijk creatief werk. Op analoge wijze kan bijvoorbeeld ook een uitgeverij (hoewel zijn hoge verantwoordelijkheid erkend moet worden) alleen de verspreiding van de bemiddelingsvorm van het werk van een auteur ten goede komen, echter niet het werk zelf verspreiden. De administratie die nodig is voor Vrije Hogeschool is in die zin niet het werk en evenzo dragen degenen die deze beheerstaak uitvoeren niet bij aan de voortzetting van het werk. Die administratoren komen juist dan de grootste dank toe, wanneer ze hun bemiddelende taak met de juiste zelfkennis onzelfzuchtig vervullen. In haar geestelijk wezen en in het realiseren van haar geestelijk wezen is daarentegen de Vrije Hogeschool het werk - een werk dat nooit en nergens een afgerond, en als zodanig verspreidbaar en beheerbaar, feit kan zijn, maar dat in de zich steeds veranderende bewustzijnsontwikkeling van de mensen ontstaat die zich in haar geest verenigen. De Vrije Hogeschool is een gebeuren. Ze is dit in een veel hogere mate vergeleken met andere hogescholen die ook kunnen claimen dat hun administratieve functie aandeel slechts de steiger is voor een opbouwproces in onderzoek en onderwijs. De vormigheid van het Vrije Hogeschoolgebeuren is dienovereenkomstig niet de verzorging van een materialistisch gedefinieerd mens met het daarmee overeenstemmende weten en kunnen, het is integendeel een in daden van zelftransformatie gebeurende mensengenese en dus ook niet behoud en groei van een in haar fundamenten vastgelegde beschaving, maar de heiliging van een nieuw beschavingsprincipe waarvan het doel niet nuttigheid, maar edelste menselijkheid 

De Vrije Hogeschool is een gebeuren dat overeenkomstig haar wezen evenwel in een gemeenschap, maar toch door kennende en daarom vrije enkelingen gerealiseerd wordt. Ze is een gebeuren waarin zich individualiteit en gemeenschap bij het opzien naar geestesmenselijkheid doordringen, bij het opzien naar dat wezen dat tegelijk individualiteit en gemeenschap is. De hoogste geestesmens is de ware leider van de Vrije Hogeschool, hij zelf is de Vrije Hogeschool wier wezen ver weg blijft van institutionele begripsvorming. De totaalexistentiële geestesmens leeft, hoewel de afzonderlijke menselijke individualiteiten oneindig overtreffend, evenwel niet boven hen maar binnenin hen. Hij beheerst ze niet, hij wil veeleer in hun vrije liefde een nieuwe vorm van zijn bestaan vinden. Hij zelf is geen zijn, maar een ontstaan, doch een zodanige dat zich van het menselijke ontstaan, waarin het ontstaat, afhankelijk maakt. Hij wordt uit het huwelijk tussen de in kennende liefde verenigden als de hoogste liefde 

Derhalve zou binnen het domein van de Vrije Hogeschool elke vorm van verordenen haar wezen vernietigen. Want haar oerbeeld kan alleen in de handelingen van vrije, zichzelf kennend ontmoetende mensen leven. Het bestuur aan het Goetheanum kan derhalve volgens een uitspraak van Rudolf Steiner geen beschikker, maar alleen een raadgever zijn. Raad geven kan het vooral door voorbeeldend werken dat vrijlaat, omdat het door zijn productiviteit de vrijruimte schept, waarin de daaraan zich aansluitende productiviteit van anderen zich kan ontplooien. Raadgever kan het bestuur zijn in het productieve vrijgeven van de ontplooiingsvoorwaarden voor degenen, die met elkaar overleggen, die niet alleen door het uiterlijke woord, maar nog meer door hun innerlijk, spiritueel communicerend lidmaatschap van een kennende bewustzijnsgemeenschap het eens worden over het ontstaan van de Hogeschool. Beschikken zou dit intieme vormingsproces vernietigen. Het bestuur aan het Goetheanum aan wie de taak gesteld is om zich waar te maken door zijn werkzaamheden in de gemeenschappelijk aanvaarde plaatsvervanging van Rudolf Steiner, de representant van ons tijdperk, door de voortzetting van diens oprichtingsdaad en de verantwoording daarvoor, dit bestuur kan zelf alleen vrij zijn, doordat het door zijn in voorbeeldend doen bewezen liefde voor innerlijke vrijheid de geestelijk werkzame raad geeft die  geestesvrijheid heet. Deze raad kan in overeenstemming met het wezen van de Vrije Hogeschool alleen uitdrukking zijn van het opzien naar de geestesmens, wiens verkondiger voor onze tijd Rudolf Steiner is, omdat hij de weg naar hem aangeeft op de wijze die de huidige mensheid behoeft. Als een tot behoeder van innerlijke vrijheid beroepen verantwoordingsgemeenschap heeft het bestuur aan het Goetheanum tot een van zijn voornaamste taken het observeren op welke wijze de idee van de Vrije Hogeschool in de verschillende individualiteiten, die door hun levenslot daarmee in aanraking zijn gebracht opleven kan, hoe hun bijdrage tot de verwezenlijking van dit idee met de nodige zorg bevorderd kan worden en hoe deze in het gemeenschappelijke bewustzijnsdomein geïntegreerd kan worden. Daartoe is een hoge mate aan kennisvermogen en kenniswilligheid voor individuele karaktereigenschappen en de daaruit voortvloeiende bezielde tolerantie nodig. Want wie de individuele aard van een mens heeft onderkend, heiligt dit en schrikt er voor terug als ware het een misdaad om dit in te perken; hij streeft er alleen naar om de in zijn wezen gekende mens te helpen zichzelf op de beste wijze te begrijpen. De verrijking van de Hogeschool door het bijeenbrengen van de verschillende talenten van productieve medewerkers is een der hoofdtaken van het bestuur aan het Goetheanum. Dit vloeit direct voort uit het wezen van de Vrije 

Daaronder is echter geenszins een handig en groeivriendelijk samenvatten van willekeurig vertegenwoordigde meningen te verstaan. Veeleer betekent de liefde tot innerlijke vrijheid, tot de eigen alsmede nog meer tot die van de ander, juist niet het dulden van opvattingen of zelfs van de aanhangers daarvan die met het doortastende van de Hogeschoolidee breken, evenmin het goedkeuren ervan, zo lang deze maar niet het imperatieve mandaat van degenen die de Hogeschool erkennen aantasten of tenminste een compromis met hen in het verschiet schijnt te liggen. Tegenover zo’n bereidwilligheid, die alleen nog maar politieke overeenkomsten tot haar taak rekent, is te benadrukken dat bezielde tolerantie alleen samen met trouw aan de geest van de Vrije Hogeschool kan bestaan. Want alleen in getrouwheid kan de weg naar de geestesmenselijkheid van de Hogeschool worden gevonden en bewandeld. Dat de Hogeschool als het streven naar het overstralen van een kennisgemeenschap door geestesmenselijkheid, naar een gemeenschap van in kennis getrouwen en uit kennis handelenden het nimmer bereikte, doch steeds te bereiken doel is, dat mag door haar representanten nooit vergeten of zelfs verloochend worden. Hogeschoollid als deelnemer aan de meditatiegemeenschap, die zich aan de bewuste verwezenlijking van de Vrije Hogeschool gewijd heeft, kan derhalve alleen degene zijn die haar wezen in de eigen gezindheid alsmede in het eenheidsbewustzijn dat de zegen van dit wezen zal ontvangen, getrouw dagelijkse bescherming biedt. De in het leven waargemaakte inhoud van deze trouw kan niets anders zijn dan de overtuiging dat de Vrije Hogeschool weliswaar nooit en nergens een voltooid feitelijke toestand is met een vastgelegde geldigheid waarop men zich verordonnerend beroepen kan. Ze vindt echter elk moment plaats, daar waar in haar geest strevende mensen bijeen zijn - dan en daar is ze onder en in hen. Collaboreren met degenen die zich aan deze trouw niet gehouden hebben en überhaupt de Vrije Hogeschoolidee als een permanent vurig op verwezenlijking wachtende metamorfose van het menselijke en tot gemeenschap in staat zijnde wezen ontkennen, zou derhalve een vernietigend element tot hun domein toelaten. Tolerantie en trouw zijn geroepen om elkaar aan te vullen: het ene kan niet zonder het andere. De tolerantie biedt de zoekers naar de Vrije Hogeschool de grootste vrijheid in hun waarheidsmoed. Ze is bereid de wedstrijd tussen elkaar afwijkende, doch in het streven naar de kennis en verwezenlijking van de Hogeschoolidee zich zelf toetsende overtuigingen op te nemen binnen de sfeer van hun besprekingen. De trouw houdt de loochenaar van de Hogeschool weg, zich ervan bewust hem zo het beste tegen de gevolgen van de eigen dwaalweg te beschermen. Het afwijzen van coöperatie met de ontrouwen is echter niet uitsluiten maar insluiten.  Ook zij behoren nog steeds tot het zonder voorbehoud verruimde algemene bewustzijn waarin de Vrije Hogeschool aangelegd is. In het algemene menselijke bewustzijn leeft ja, wat in trouw aan de Vrije Hogeschool verworven is en naar de bewustzijnstrouw stroomt toe wat in het algemene menselijke bewustzijn gevormd wordt. Eveneens ontbreekt het algemene menselijke bewustzijn het aan datgene wat de getrouwen het niet vermogen te verlenen. Ook voor degenen die zich het doel van de trouw, de bewuste verwezenlijking van de Vrije Hogeschool, niet eigen maken of zich daarvan afwenden, zullen derhalve de rechtmatige dragers van de Hogeschoolidee zich beschikbaar blijven stellen. Deze zullen hun innerlijke bereidwilligheid ook jegens de andersgezinden niet onthouden. Ze zullen hun hulp ook binnen andere gebieden in het kader van vrije overeenkomsten verlenen, wanneer ze daardoor niet in een verband komen te staan die bewust tegenovergesteld is aan de Vrije Hogeschool en wanneer de wijze waarop hun verbondenheid tot de Vrije Hogeschool door de vorm van de afspraak op een niet mis te verstane manier tot uitdrukking komt.

Het voorafgaande beoogde tenminste op aanduidend wijze drie hoofdgedachten te ontwikkelen.

1. De Vrije Hogeschool te karakteriseren moest in haar aanleg als eeuwig tegenwoordige geestesgestalte, in haar verwezenlijking als een zichzelf steeds verder ontwikkelend doel en in haar vormgevende kenmorele krachten als tolerantie en trouw.
2. De grondslag voor deze karakterisering ligt in het bewijs dat de psychische observatiemethode van De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner overeenkomt met de methode van de klassenuren.
3. De Vrije Hogeschool in haar betekenis te begrepen als een tot ver buiten haar eigen enge gebied reikende, het materialisme aflossend, modern beschavingsprincipe.





[1] Deze verhandeling is het bewerkte en verruimde tweede deel van de onder de titel “Rechenschaftsbericht” (Jaarbericht) bij Verlag “Beiträge zur Weltlage”, Dornach 1981 verschenen geschrift van de schrijver dezes (niet vertaald).
[2] Schrijver dezes heeft zich hierover in talrijke geschriften geuit; zie de boekenlijst van het Gideon Spicker Verlag; zie ook wat hierover in de voorafgaande verhandeling werd ontwikkeld. 
[3]Zie het geschrift van de schrijver dezes “Was ist Meditation?”, Gideon Spicker Verlag, Dornach 1982.
[4] Zie hierover b.v. het geschrift van de schrijver dezes Struktuurphänomenolgie. Vorbewusstes Gestaltbilden im erkennenden Wirklichkeitenthüllen, Gideon Spicker Verlag, Dornach 1983.


* * *

Aanhangsel

XI

CRISIS EN ALTERNATIEF

Zingevend recht en rechtsvormende zingeving in de sociale organica van Rudolf Steiner 

Noot vooraf - Deze tekst, die gezien de crisis in het huidige economische en financiële stelsel alleen maar aan actualiteit heeft toegenomen, werd al in 1980 geschreven voor de destijds jaarlijks in Zwitserland plaatsvindende sociaalwetenschappelijke conferentie: Beiträge zur Weltlage ("Bijdragen aan de wereldsituatie"). Hij werd voor het eerst in een Nederlandse vertaling als studiemateriaal voor de Michaëlswerkconferentie: Anthroposofie en de kunst van de sociale vernieuwing 1990, in Den Bosch door de vertaler Robert Jan Kelder van het Amsterdamse Willehalm Instituut gepresenteerd. Een van de doelstellingen van deze in 2005 als stichting opgerichte non-profit organisatie is het alom bevorderen en voortzetten van het werk van de voormalige industrieel en filosoof Herbert Witzenmann (1905-1988), die in 1963 bestuurslid van de Algemene Anthroposofische Vereniging in Dornach werd en in 1965 leider van de Sociale Sectie aldaar van het Goetheanum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen.

De crisissituatie van de huidige mensheid wordt even vaak bevestigd als goedgepraat. Want enerzijds kan men de ogen niet sluiten voor de sociale, politieke en economische spanningen en gevaren waarin de huidige mensheid verkeert. Anderzijds zwaait men in Oost èn West, onder wederzijdse afwijzing, het eigen systeem de hoogste lof toe.

Maar dat wat men als verworvenheid prijst zélf in een kritische toestand verkeert, wordt weliswaar ondervonden maar de oorzaak daarvan echter wordt nauwelijks ingezien. Aan deze ondervinding ontspringt het steeds onweerstaanbaarder op de voorgrond dringende verlangen naar alternatieven.

Daarom is het een van de meest urgente eisen van onze tijd om tot de ware achtergrond van de crisissituatie door te dringen. Niettemin wordt deze oorsprong verdrongen, men wil het immers, waar men ook staat, niet toegeven.

Het kwantiteitsprincipe is de sterke stuwkracht die de bewegingen van de sociale en economische herverdeling aandrijft. De hieruit voortvloeiende veranderingen zijn de grootste gebeurtenissen van onze tijd, uit hun door stormen opgezweepte golven stapt immers een nieuwe mensheid aan land. Deels gestuurd, deels met een zelfstandig geworden eigen dynamiek zich uitbreidend, trekt dit ook bij windstilte langzaam voortsluipende gebeuren alles met zich mee of duwt het terzijde. Dat het kwantiteitsprincipe bij de besluiten en tendensen die stormend en sluipend van kracht worden daadwerkelijk de doorslag geeft, wordt wel het duidelijkst voor degene die zijn blik richt op de beide machtige hefbomen van de westerse wereld. De enen geloven nog altijd dat zij sterker zijn dan alle weerstand, bij de anderen groeit de twijfel over hun deugdelijkheid.

De ene hefboom is de herverdeling van het nationale inkomen, de andere is de democratische besluitvorming. De vuist die hen hanteert is de hoeveelheidgedachte, dus de macht. Het doen toekomen van de juiste hoeveelheid van de in het arbeidsproces ontstane waarden aan de juiste ontvangers, is het vermogen dat men één dezer hefbomen toeschrijft. Het laten ontstaan van de rechtvaardigste besluiten door de vermeende deelname van allen aan het vaststellen daarvan (in feite door het zegevieren van de machtigste besluitvormende lobby), is het vermogen dat men de andere hefboom toeschrijft. In het ene geval gaat het om loonontvangst, in het andere om majorisering, besluitvorming door de meerderheid. Beide zijn hoeveelheidprincipes en hoeveelheidcriteria.

Binnen deze twee machtige kenmerken van het moderne leven zet zich echter voort wat ze trachten te overwinnen en menen uit de weg te ruimen. Ze zijn immers slechts een nieuwe verschijningsvorm van het burgerlijke bezitsdenken. Het zijn alleen andere wegen waarop de nieuwe verantwoordelijken de basis en het gebruik van hun bevoegdheden winnen. Het gaat tenslotte om het bezit van behoeftevoorziening en om invloed (macht).

De wortel van de crisis is het doorwerken van de burgerlijke bezitsgezindheid die slechts door te versmelten met een restant van oude cultuurinstincten bevrediging gaf. Waar deze aanvulling wegvalt, verspreidt zich de weliswaar ondervonden, maar niet geheel onderkende frustratie van hen die onder een ander voorwendsel hun begeren koesteren. Hieruit vloeit de groeiende inflatie van aanspraken voort, die alle vertakkingen van het sociale leven doorwoekeren.

Diagnose bedwingt de crisis niet, hoewel men het niet zonder een scherpzinnige analyse kan stellen. De sociale wetenschap van Rudolf Steiner is een werkelijk, positief alternatief dat zich niet beperkt tot eisen en detailverbeteringen binnen de aan de crisis ten grondslag liggende denkgewoonten. Ze stelt in plaats van het kwantiteitsprincipe het functieprincipe, in plaats van bezitsvorming, de ontwikkeling van vaardigheden en in plaats van de executieve de productieve rechtswerking. Daarmee wordt een alomvattend alternatief van de radicaalste aard gekenmerkt.

Het alternatief

Het grondbeginsel, dat hier slechts kort kan worden aangeduid, komt op het volgende neer: recht moet gevormd worden binnen het proces van toegevoegde waarde (als een van haar functies), het beschikkingsrecht moet worden omgevormd tot een presterend, productief recht.
Dat dit mogelijk is en dat daarmee geheel nieuwe sociale verwachtingen en elan gewekt worden, wordt duidelijk zodra men zich op de hoogte stelt van de waardescheppende effectiviteit van de menselijke arbeid. Deze splitst zich in twee functiestromingen: enerzijds kwalificerende (zogenaamd lichamelijke, d.w.z. direct of met gebruik van werktuigen bij de natuurlijke grondstoffen aanzettende) arbeid en anderzijds organiserende (zogenaamde geestelijke) arbeid, of te wel hand- en hoofdarbeid. (Ook wetenschappelijke en kunstzinnige arbeid is organiserend, daar alle op menselijke prestaties gerichte arbeid primair organiserend is).

Het voortdurend samenwerken van deze beide functiestromingen resulteert in de prijsvorming. Rechtvaardige prijzen, d.w.z. zodanige prijzen die niet de prestatiewaarde van één soort functie in het nadeel van de andere vervalsen, ontstaan echter alleen indien de toegevoegde waardestromingen door beramende instanties in de zin van een evenwichtige prijsvorming gestuurd worden. Zulke planologische instanties kunnen alleen adviesorganen (associaties) zijn, waarin lieden die binnen de gehele omvang van het sociale leven werkzaam zijn, bijeenkomen en er daarom ook verantwoordelijk voor zijn. Hun functie is niet om economievreemde beschikkingen op te leggen, maar om het scheppen van binnen-economische rechtvaardigheid  Want door het sturen en bijstellen van de toegevoegde waardestromingen ontstaan rechtvaardige prijzen en bijgevolg ook een gerechtvaardige verdeling van het nationale inkomen reeds op grond van diens ontstaansvoorwaarden. Niet persoonlijk voordeel, winst en strijd om het doordrukken van aanspraken op het nationale inkomen is de gezindheid die ontstaat uit een waarachtig inzicht in de levensvoorwaarden van het sociale organisme. Veeleer is de toewijding door de zich in de praktijk ontwikkelende vaardigheden aan het sociale organisme de drijfveer van een van waardescheppende rechtsvorming en rechtswerking doordrongen economisch leven.

Een binnen-economisch, waardescheppend recht is het radicale alternatief dat de sociale wetenschap van Rudolf Steiner stelt tegenover de crisissituatie en chaos van onze tijd. Dit productieve rechtsbegrip vervangt het kwantiteitsprincipe door het functieprincipe en leidt niet tot de overwinning van de bezitsdrift door het stellen van morele eisen, maar door de bewustwording van hoe het sociale organisme in zijn geheel functioneert. In het scheppen van deze nieuwe rechtsvorm verzamelen zich als in een knooppunt van concentrerende oplossing alle problemen die ons in het nauw brengen.

Natuurlijk behoeft de nieuwe gezindheid die voortvloeit uit de overwinning van de kwantitatieve denkgewoonten en de daarbij behorende verwachtingen en eisen de dragende fundering door een zingevend wereldbeeld, waarin het zielsgeestelijke beleven van de mens zich geborgen weet. De hier slechts aangeduide nieuwe rechtsschepping kan alleen als een zodanige onderbouw beleefd worden wanneer ze tegelijkertijd zingevend is. De mensheid verlangt naar waarlijk rechtvaardig recht, maar dit moet de spiegel zijn waarin ze zichzelf herkent.

Deze spiegel kan alleen een mensbeeld zijn dat de gehele en onvervalste inhoud van het menselijke wezen omvat: Het mensbeeld dat in het centrum van de kennisleer van Rudolf Steiner staat, behelst de zingevende richtlijnen voor een functioneel recht dat, in tegenstelling tot de eigenlijk devaluerende werking van het kwantitatieve recht, in staat is om aan het economische en sociale leven een waarlijk menswaardige gestalte te verlenen, weliswaar niet op de manier van een "burgerlijk wetboek" of van de door het "zedenrecht" gedicteerde grondrechten, maar in de stijl van een vrijheidswetenschappelijke algemene menskunde.

Voor de publicatie van deze tekst, zoals die in de Zwitserse Basler Zeitung onder de titel “Crisis und Alternatief - Die Wurzel der Krise ist das Fortwirken bürgerlicher Besitzgesinnung” (Crisis en alternatief – De wortel van de crisis ligt in het doorwerken van de burgerlijke bezitsdrang) op 29 september 1980 is verschenen, schreef Herbert Witzenmann het volgende einde:

Elke poging een denkbeeld te ontwerpen dat erop vertrouwt de positieve, toewijdende vermogens van het mensenwezen in de breedte der mensheid te doen gelden, wordt vandaag de dag als wereldvreemde utopie belachelijk gemaakt of veracht. Zouden echter niet de ervaringen die we in het Westen opdoen met het alom bevredigen van begeerten en de onderdrukking in het Oosten van alles wat non-conform is, voor ons een vermaning zijn die wijst naar de opdracht van het Europese Midden? Zou het waar zijn dat het in de diepte van ons wezen aangelegde mensbeeld en het dienovereenkomstige beeld van het sociale leven uit ons bewustzijn verdwenen is? Dit beeld van de mens en zijn gemeenschap dat niet de weg naar de stof en het collectief wijst, maar naar de geest en de vrijheid?


* * *


XII

De principes van de Algemene Antroposofische 

1. De Antroposofische Vereniging 1 hoort een vereniging van mensen te zijn, die het zieleleven in de enkele mens en in de menselijke samenleving verzorgen willen op de grondslag van een ware kennis van de geestelijke 

2. De kerngroep van deze vereniging wordt gevormd door de in de Kersttijd van 1923 aan het Goetheanum te Dornach bijeengekomen persoonlijkheden, zowel de enkelingen als de groepen, die zich lieten vertegenwoordigen. Zij zijn ervan doordrongen dat er tegenwoordig een werkelijke, door vele jaren heen verworven en in belangrijke delen reeds gepubliceerde  wetenschap van de geestelijke wereld bestaat, en dat aan de huidige beschaving de beoefening van een dergelijke wetenschap ontbreekt. De Antroposofische Vereniging dient deze beoefening tot haar taak te hebben. Ze zal deze taak zo trachten te volbrengen, dat ze de in het Goetheanum in Dornach beoefende Antroposofische geesteswetenschap met haar resultaten voor de broederschap in de menselijke samenleving, voor het morele en religieuze, alsmede voor het kunstzinnige en algemene geestesleven in het mensenwezen tot het middelpunt van haar streven 

3. De als kerngroep van de Vereniging in Dornach bijeengekomen persoonlijkheden betuigen hun instemming met de opvatting van de Goetheanumleiding, vertegenwoordigt door het tijdens de oprichtingsvergadering gevormd bestuur, met betrekking tot het volgende: “De in het Goetheanum beoefende antroposofie leidt tot resultaten die voor ieder mens zonder onderscheid van natie, stand of religie als impuls voor het geestelijke leven dienen kunnen. Ze kunnen tot een werkelijk op broederlijke liefde gebaseerd sociaal leven leiden. Het zich eigen maken van de antroposofie is niet gebonden aan een wetenschappelijke ontwikkelingsgraad, maar slechts aan het onbevangen mensenwezen. Haar onderzoek en de deskundige beoordeling van haar onderzoeksresultaten zijn echter onderworpen aan de geesteswetenschappelijke scholing, die stapsgewijs te verwerven is. Deze resultaten zijn op hun manier net zo precies als de resultaten van de ware natuurwetenschap. Indien ze op dezelfde wijze als deze algemene erkenning krijgen, zullen ze op alle levensgebieden een zelfde vooruitgang brengen als deze, niet alleen op geestelijk maar ook op praktisch 

4. De Antroposofische Vereniging is geen geheim genootschap, maar volkomen openbaar. Hiervan kan iedereen zonder onderscheid van natie, stand, religie en van wetenschappelijke of kunstzinnige overtuiging lid worden, die in het voortbestaan van zo’n institutie als dat het Goetheanum in Dornach als Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap is, iets gerechtvaardigds ziet. De Vereniging wijst elke vorm van sektarisme af. De politiek beschouwt ze als niet tot haar taak 

5. De Antroposofische Vereniging ziet een centrum van haar werkzaamheden in de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap in Dornach. Deze zal uit drie klassen bestaan. Daarin worden de leden van de Vereniging op hun verzoek opgenomen, nadat zij een door de leiding van het Goetheanum te bepalen tijd lid zijn geweest. Zij komen daardoor in de eerste klasse van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap. Opname in de tweede, respectievelijk in de derde volgt, wanneer de daarom verzoekenden door de leiding van het Goetheanum daartoe geschikt bevonden 

6. Ieder lid van de Antroposofische Vereniging heeft het recht,  onder de door het bestuur bekend te maken voorwaarden, deel te nemen aan alle door haar georganiseerde voordrachten, overige opvoeringen en 

7. De inrichting van de Vrije Hogeschool berust vooreerst bij Rudolf Steiner, die zijn medewerkers en zijn eventuele opvolger dient te 

8. Alle publicaties van de Vereniging zullen openbaar zijn, zoals dit ook bij andere openbare verenigingen het geval is.** Van deze openbaarheid zullen ook de publicaties van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap geen uitzondering vormen: toch behoudt de leiding van de school zich het recht voor, dat ze bij voorbaat de gegrondheid van elk oordeel over deze geschriften bestrijdt, dat niet op de scholing gefundeerd is waaruit ze zijn voortgekomen. Ze zal in dit opzicht aan geen enkel oordeel de rechtvaardigheid toekennen, die niet op passende voorstudies gefundeerd is, zoals dat immers ook in de erkende wetenschappelijke wereld gebruikelijk is. Daarom zullen de geschriften van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap de volgende aantekening dragen: “als manuscript voor de leden van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, klas... gedrukt. Er wordt niemand voor die geschriften een competent oordeel toegestaan, die niet de door deze school geldend gemaakte voorkennis door haar of op een door haarzelf als synoniem erkende wijze, heeft verworven. Andere beoordelingen worden in zoverre afgewezen, dat de schrijvers van de betreffende geschriften zich met geen enkele discussie hierover 

9. Het doel van Antroposofische Vereniging zal zijn: de bevordering van het onderzoek op geestelijk gebied; dát van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen dit onderzoek zelf. Van dogmatiek op welk gebied dan ook, dient  de Antroposofische Vereniging uitgesloten te 

10. De Antroposofische Vereniging houdt elk jaar in het Goetheanum een gewone jaarvergadering, waarin door het bestuur volledig rekening en verantwoording worden afgelegd. De agenda voor deze vergadering wordt met de uitnodiging aan alle leden zes weken vóór de vergadering door het bestuur bekend gemaakt. Buitengewone vergaderingen kan het bestuur bijeenroepen en de agenda daarvoor opstellen.(2) Het bestuur dient drie weken van te voren de uitnodigingen aan de leden te verzenden. Moties van individuele leden of ledengroepen dienen één week voor de vergadering ingezonden te 

11. De leden kunnen zich op elk plaatselijk of zakelijk gebied tot kleinere of grotere groepen aaneensluiten. De Antroposofische Vereniging heeft haar zetel in het Goetheanum. Het bestuur heeft van daar uit datgene aan de leden of ledengroepen te brengen, wat het als de opgave van de Vereniging beschouwt. Het bestuur neemt contact op met de functionarissen, die door de afzonderlijke groepen gekozen of benoemd worden. De afzonderlijke groepen verzorgen de opname van de leden; de opnamebevestigingen dienen echter aan het bestuur in Dornach voorgelegd, en door deze in vertrouwen op de groepenfunktionarissen ondertekend te worden. In het algemeen dient elk lid zich bij een groep aan te sluiten; alleen voor wie het geheel onmogelijk is opname bij een groep te vinden, dient zich in Dornach zelf als lid laten 

12. Het bedrag aan contributie wordt door de afzonderlijke groepen bepaald; elke groep heeft echter voor elk van haar leden 15 Frank*** aan de centrale leiding van het Goetheanum af te 

13. Iedere werkgroep stelt haar eigen statuten op; deze dienen echter niet in tegenspraak te zijn met de statuten van de Antroposofische 

14. Het verenigingsorgaan is het weekblad “Das Goetheanum“, dat voor dit doel van een bijlage wordt voorzien die de officiële mededelingen van de Vereniging dient te bevatten. De vergrootte uitgave van het “Goetheanum “ wordt alleen aan de leden van de Antroposofische Vereniging 

15. Het oprichtingsbestuur zal zijn:
            1e voorzitter:                                                     Dr. Rudolf Steiner
            2e voorzitter:                                                     Albert Steffen
            Secretaris:                                                         Dr. Ita Wegman
            Bijzitters:                                                          Mevr. Marie Steiner
                                                                                    Mej. Dr. Elisabeth Vreede
            2e secretaris en penningmeester:                         Dr. Günther Wachsmuth






 1. De [toen nog statuten genoemde] principes van de Algemene Antroposofische Vereniging werden door Rudolf Steiner aan de leden van de oprichtingsvergadering tijdens de jaarwisseling van 1923/24 toevertrouwd.
De Anthroposofische Vereniging sluit aan bij de in het jaar 1912 opgerichte Anthroposofische Vereniging, wil echter voor de destijds vastgelegde doelen een zelfstandig, met de ware geest van de huidige tijd overeenkomstig uitgangspunt verschaffen.
** Ook de voorwaarden waaronder men tot scholing komt, zijn algemeen toegankelijk gemaakt en zullen ook verder gepubliceerd worden.
2. Volgens het stenografisch verslag van de bespreking van §10 in Die Weihnachtstagung zur Begründung der Allgemeinen Anthropsophischen Gesellschaft 1923-1924 (Dornach 1963, blz.147), zei Rudolf Steiner dat de volgende passage in deze paragraaf opgenomen zou moeten worden: “Een van tijd tot tijd door het huishoudelijke reglement vast te stellen aantal leden heeft het recht op elk moment een buitengewone vergadering te verlangen”. Dit is tot nu toe nog niet gebeurd. (Noot van de vert.)
***  De oorspronkelijke bijdrage van de leden werd later in overeenkomst met de tijdsomstandigheden verhoogd.


* * * 

XIII

De Grondsteenmantra's 

          Mensenziel!
          Gij leeft in de ledematen,
          Die U door de ruimtewereld
          In het geesteszeewezen dragen:
          Oefen geestherinneren
          In zielediepten,
          Waar in heersend
          Wereldschepper-zijn
          Het eigen Ik
          In ‘t Godes-Ik
          Verwezenlijkt;
          En gij zult waarlijk leven
          In ‘t mensen-wereld-wezen.

          Want de Vadergeest der hoogten heerst
          In de werelddiepten Zijn-verwekkend:
          Gij krachtengeesten (Serafijnen, Cherubijnen, Thronen),
          Laat uit de hoogten klinken
          Wat in de diepten zijn echo vindt:
          Dit spreekt:
          Uit het goddelijke verwezenlijkt de mensheid. (Ex deo nascimur.)
          Dat horen de geesten in oost, west, noord, zuid:
          Mogen mensen het horen.
         
          Mensenziel!
          Gij leeft in de longen-harteslag
          Die U door het tijdenritme
          In ‘t eigen zielewezensvoelen leidt:
          Oefen geestbezinnen
          In zielenevenwicht,
          Waar de golvende
          Wereld-wording-daden
          Het eigen Ik
          Met het wereld-Ik
          Verenen;
          En gij zult waarlijk voelen
          In ‘t mensen-ziele-werken.

          Want de Christus-wil heerst in de omtrek
          In de wereldritmen zielen-begenadigend:
          Gij lichtgeesten (Kyriotetes, Dynameis, Exousia),
          Laat uit het oosten aanvuren
          Wat door het westen zich vormt.
          Dit spreekt:
          In de Christus wordt léven de dood. (In Christo morimur.)
          Dat horen de geesten in oost, west, noord, zuid:
          Mogen mensen het horen.
         
          Mensenziel!
          Gij leeft in het rustende hoofd.
          Dat U uit eeuwigheidsgronden
          De wereldgedachten ontsluit:
          Oefen geestesschouwen
          In gedachtenrust,
          Waar de eeuwige godendoelen
          Wereld-wezens-licht
          Aan ‘t eigen Ik
          Voor ‘n vrij willen
          Schenken;
          En gij zult waarlijk denken
          In mensen-geestes-gronden.

          Want des geestes wereldgedachten heersen
          In het wereldwezen smekend om licht:
          Gij ziele-geesten (Archai, Archangeloi, Angeloi)
          O, laat uit de diepten verbidden,
          Wat in de hoogten verhoord wordt.
          Dit spreekt:
          In des geestes wereldgedachten ontwaakt de ziel. (Per spiritum sanctum reviviscimus.)
          Dat horen de geesten in oost, west, noord, zuid:
          Mogen mensen het horen.
         
          In der tijden kentering
          Trad het wereld-geesteslicht
          In de aardse wezensstroom;
          Nachtdonker
          Heerste niet langer
          Daghelder licht
          Straalde in mensenzielen;
          Licht
          Dat verwarmt
          De arme herdersharten;
          Licht
          Dat verlicht
          De wijze koningshoofden.

          Goddelijk licht,
          Christus-zon
          Verwarm
          Onze harten,
          Verlicht
          Onze hoofden,
          Dat goed worde
          Wat wij
          Uit harten gronden,        
          Uit hoofden
          Vastberaden willen leiden.



* * *


XIV

Statuten en Huishoudelijk reglement der AViN

Statuten 

Vastgesteld bij notariële akte, d.d. 17 augustus 1982

Statutenwijziging per 1 juli 1998 betreft artikel 14 lid 4

Naam, Zetel, Duur

Artikel 1
l . De vereniging draagt de naam Anthroposofische Vereniging in Nederland.
2. De vereniging is opgericht op achttien november negentienhonderd drieëntwintig te 's Gravenhage; zij is thans aangegaan voor onbepaalde tijd.
3. De vereniging is gevestigd te Zeist.

Grondslag

Artikel 2
De Antroposofische Vereniging in Nederland is een vereniging van mensen, die het zieleleven in de mens individueel en in de menselijke samenleving willen ontwikkelen op grondslag van de door Rudolf Steiner vertegenwoordigde geesteswetenschap, de anthroposofie.

Doel

Artikel 3
De vereniging stelt ten doel het bestuderen, beoefenen, en verbreiden van deze geesteswetenschap.

Algemene Anthroposofische Vereniging (Allgemeine Anthroposophische
Gesellschaft)

Artikel 4
1. De vereniging heeft bij haar nieuwe constituering op zesentwintig december negentienhonderd zestig te 's-Gravenhage een fusie aangegaan met de Nederlandse Afdeling van de Algemene Anthroposofische Vereniging te Dornach, Zwitserland.
2. De vereniging beschouwt zich als de landelijke vereniging in de Algemene Anthroposofische Vereniging. Deze ziet een middelpunt van haar werkzaamheden in de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap aan het Goetheanum te Dornach, Zwitserland.

Lidmaatschap

Artikel 5
1 . Leden van de vereniging zijn natuurlijke personen, die overeenkomstig lid 3 van dit artikel als zodanig zijn toegelaten.
2. Bij de aanvang van het lidmaatschap wordt de betrokkene tevens lid van de Algemene Antroposofische Vereniging.
3. Het lidmaatschap wordt schriftelijk door middel van een aanmeldingsformulier aangevraagd bij de voorzitter, per adres het Secretariaat van de verenig-   ing; het lidmaatschap vangt aan bij ondertekening van de lidmaatschapskaart door de voorzitter van de Algemene Anthroposofische Vereniging.

Einde lidmaatschap

Artikel 6
1 . Het lidmaatschap eindigt:
a. door overlijden;  
b. door opzegging door het lid, hetgeen schriftelijk moet geschieden aan de voorzitten;
c. door opzegging namens de vereniging door het bestuur; deze kan geschieden wanneer het lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten gesteld, te voldoen, wanneer het lid zijn/haar verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, waaronder begrepen: wanbetaling van de contributie gedurende twee jaren, zonder opgave van redenen, of wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren;
d. door ontzetting door het bestuur wanneer het lid in strijd handelt met de statuten, reglementen en besluiten der vereniging, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
2. Van een besluit tot ontzetting staat de betrokkene binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving, beroep open op de algemene ledenvergadering. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

Rechten en verplichtingen

Artikel 7
1. De leden betalen een jaarlijkse bijdrage. Richtlijnen voor de bepaling van de grootte van deze bijdrage worden jaarlijks door de ledenvergadering vastgesteld op voorstel van het bestuur.
2. De grootte van de bijdrage wordt door elk lid aan de hand van deze richtlijnen vrij bepaald. De hoogte van de bijdrage mag geen beletsel voor het lidmaatschap zijn.
3. Door toetreding tot de vereniging erkennen de leden kennis te dragen van de inhoud van de statuten en het huishoudelijk reglement. Zij verklaren bij toetreding deze te zullen naleven.
4. De leden hebben het recht om, al dan niet tegen betaling van een vergoeding, aan de activiteiten van de vereniging deel te nemen en gebruik te maken van de eigendommen van de vereniging.

Ledengroeperingen

Artikel 8
l. De leden kunnen zich naar plaatselijke en zakelijke gezichtspunten tot groepen aaneensluiten, de verantwoordelijkheid daarvoor berust bij deze leden.
2. Namen of aanduidingen van ledengroeperingen dienen niet in strijd te zijn met de grondslagen van de vereniging en behoeven de instemming van het bestuur.

Bestuur 
  
Artikel 9
1. Het bestuur van de vereniging bestaat uit tenminste vijf leden.
2. De bestuursleden worden door de algemene ledenvergadering benoemd.
3. Daalt het aantal bestuursleden beneden het statutair vereiste minimum, dan blijven de bestuursleden tot bestuurshandelingen bevoegd, mits binnen een jaar in de vervulling van de vacatures is voorzien.

Artikel 10
1.   De voorzitter, de secretaris en de penningmeester van het bestuur worden door de algemene ledenvergadering in functie gekozen.
2. De overige functies van de bestuursleden verdeelt het bestuur onderling.
3. Bestuursleden worden benoemd voor de termijn van vijf jaar en zijn na afloop van die periode terstond herbenoembaar.

Bestuurszaak - Vertegenwoordiging

Artikel 11 
1. Het bestuur is belast met de leiding van de vereniging.
2. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van alle overeenkomsten, hoe ook genaamd.

Artikel 12
De vereniging wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door twee leden van het bestuur.  

Einde van het bestuurslidmaatschap

Artikel 13
Het bestuurslidmaatschap eindigt:
a. door bedanken;
b. door het einde van het lidmaatschap van de vereniging;
c. door ontslag krachtens besluit van de algemene ledenvergadering;
d. door het verstrijken van de periode waardoor het bestuurslid wordt benoemd.

Algemene ledenvergadering

Artikel 14
1 . Eenmaal verjaar wordt door het bestuur een algemene ledenvergadering bijeengeroepen, waarop het bestuur verslag uitbrengt over het afgelopen jaar en waarop de activiteiten en het beleid worden besproken. De vergadering wordt schriftelijk bijeengeroepen. De termijn van oproeping is bepaald op tenminste drie weken.